Skip to Content
De toepassing kan in verband worden gebracht met de aanwezigheid van de capsaicinoïd amiden waarvan capsaicine de bekendste en ook belangrijkste vertegenwoordiger is. Het is de toegenomen thermogenese, teweeggebracht door deze verbindingen, die de ondersteunende behandeling van zwaarlijvigheid met capsicumpreparaten motiveert. Dit naast het adrenerge effect op de lypolyse t.h.v. spierweefsel. Er is nl. aangetoond dat een verminderde calorie inname (dieet) resulteert in een verminderd metabole activiteit bij rust en dus verminderd calorieverbruik (en verminderd gewichtsverlies). Een toegenomen thermogenese zou dit compenseren. Uit de geciteeerde studies kan men concluderen dat de waargenomen effecten bij gebruik van capsaicine of capsinoïden duiden op een toegenomen basismetabolisme en vetoxidatie. 

De toepassing kan in verband worden gebracht met de aanwezigheid van de capsaicinoïd amiden waarvan capsaicine de bekendste en ook belangrijkste vertegenwoordiger is in de plant, naast dihydrocapsaicine en nordihydrocapsaicine. Dezelfde componenten zijn tevens verantwoordelijk voor de scherpe/hete smaak.

Bovenstaande activitieit is terug te brengen tot de chemische structuur van de componenten. Ze bezitten nl. een vanilloïd-gedeelte (capsaicine is het vanillamide van 8-methylnon-6-enoic zuur) en vertonen daardoor een duidelijke affiniteit voor de vanilloïd-receptoren, meer specifiek voor de TRPV1-receptor. Deze wordt teruggevonden in de mondholte en is mee verantwoordlijk voor warmteperceptie.

Daarnaast komen deze receptoren echter eveneens voor in andere organen waaronder de darmen. Binding van TRPV1 door capsaicine induceert een sympathische activiteit met als gevolg een activatie van de adrenerge β3-receptor t.h.v. de “bruine vetweefsels”. Dit resulteert in een toegenomen thermogenese (binding van de adrenerge β3-receptor t.h.v de mitochondriën rijke bruine vetcellen leidt via de cascade G-proteïne- cAMP – protein kinase tot een toegenomen lipase-activiteit. De hieruit volgende toename aan vrije vetzuren resulteert in een ontkoppeling van de oxidatieve fosforylering in de mitochondriën met als uiteindelijk resultaat warmteproductie i.p.v. ATP-vorming).

Het is deze toegenomen thermogenese die in verband wordt gebracht met het gebruik van capsicum-preparaten als ondersteunende behandeling van zwaarlijvigheid. Dit naast het adrenerge effect op de lypolyse t.h.v. spierweefsel. Er is nl. aangetoond dat een verminderde calorie inname (dieet) resulteert in een verminderd metabolische activiteit bij rust en dus verminderd calorieverbruik (en verminderd gewichtsverlies). Een toegenomen thermogenese zou dit compenseren.

De scherpe/hete smaak van de capsaicinoïden in de benodigde hoeveelheden vormt hierbij echter een probleem. Naast deze componenten bevatten de planten echter eveneens capsinoïden (capsiaat, dihydrocapsiaat en norhydrocapsiaat). Bij de capsaicinoïden wordt de koppeling tussen de beide eenheden van de verbinding gevormd door een amide-binding, bij de capsinoïden is dit een ether-binding. Het resultaat is dat deze laatste wordt gehydrolyseerd t.h.v. mondslijmvliezen en bijgevolg geen scherpe smaakgewaarwording meer optreedt. T.h.v. de darmen blijven zij echter wel hetzelfde effect veroorzaken als capsaicine. Daarom worden nu meer preparaten gebruikt op basis van de Capsicum CH-19 cultivar (“sweet capsicum”). Deze plant synthetiseert geen significante hoeveelheden capsaicinoïden meer.

Er zijn verschillende studies die bovenvermelde activiteiten bevestigen. Enkel hiervan zijn weergegeven in de volgende tabel.

 

Referentie

Opzet

Resultaat

Ohnuki K. et al., 2001

0,1 g gevriesdroogd Capsicum CH-9/kg versus placebo.
N = 14 (♀ en ♂).

Significant toegenomen basis lichaamstemp. en zuurstofverbruik.

Kawabata F. et al., 2006

0,4 g gevriesdroogd Capsicum CH-9/kg versus placebo.
N = 12 (♂)
Duur: 2 weken.

Significante afname van lichaamsgewicht en vetaccumulatie.
Toegenomen sympathische activiteit.

Lejeune MP et al., 2003

Placebo gecontroleerd, dubbelblind, gerandomiseerd.
Behandeling: 135 mg capsaicine/dag na beëindigen dieet.
N = 91.
Duur: 3 maanden

Significant hogere vetoxidatie bij capsaicine groep gedurende 3 maanden na beëindigen dieet.
Geen verschil in gewichtstoename.

Snitker S. et al., 2009

Placebo gecontroleerd, dubbelblind, gerandomiseerd.
N = 40 (♀ en ♂); BMI = 25 -35.
12 weken 6 mg/dag capsinoïden

Gewichtsverlies caps.-groep > placebo maar niet significant.
Abdominaal vetverlies caps.-groep > placebo
(P = 0,049). 
Hogere vetoxidatie bij caps.-groep (P= 0,06).

Inoue N. et al., 2007

Placebo gecontroleerd, dubbelblind, gerandomiseerd.
N = 44 (♀ en ♂); BMI > 23.
Groep 1: 3 mg capsinoïden/kg
Groep 2: 10 mg capsinoïden/kg
Groep 3: placebo.
Duur: 4 weken.

Significant hoger zuurstofverbruik in groep 2.
Significant verhoogd energieverbruik bij rust in
groep 2.
Significant toegenomen vetoxidatie in groepen 1 en 2.

Galgani JE et al., 2010

Placebo gecontroleerd, dubbelblind, gerandomiseerd.
N = 78.
Groep 1: 3 mg dihydrocapsiaat/dag.
Groep 2: 9 mg dihydrocapsiaat/dag.
Groep 3: placebo.
Duur: 4 weken.

Licht verhoogd metabolisme in rust.
Geen invloed op vetoxidatie.

Lee TY et al., 2010.

Placebo gecontroleerd, dubbelblind, gerandomiseerd.
N = 33 (♀ en ♂); BMI = 27 – 35.
Groep 1: 3 mg dihydrocapsiaat/dag.
Groep 2: 9 mg dihydrocapsiaat/dag.
Groep 3: placebo.
Duur: 4 weken.

Significant toegenomen post-prandiaal energieverbruik bij groep 2.

 

Men kan hierbij concluderen dat de waargenomen effecten bij gebruik van capsaicine of capsinoïden duiden op een toegenomen basismetabolisme en vetoxidatie.  

Een interessant bijkomend gegeven is dat capsaicine geen invloed blijkt uit te oefenen op het cardiaal depolarisatie-repolarisatieproces. De waargenomen sympathische activiteit kan nl. theoretisch leiden tot een verlenging hiervan wat kan worden geassocieerd met een verhoogd risico voor hartfalen bij hartpatiënten. Maar dit bleek dus niet het geval (Shin KO et al., 2007).   

Verwijzend naar de producten die worden aangeprijsd dient volledigheidshalve nog te worden opgemerkt dat er verschillende bestaan uit een combinatie met Citrus aurantium - synephrine (adrenerg effect) en/of caffeïne. Rekening houdend met de gecombineerde sympathische werking dient de dosering hierbij te worden gecontroleerd.

Referenties: 

[1] Ohnuki K. et al., 2001. Biosc. Biotech. Biochem. 65(9): 2033-2036.

[2] Kawabata F. et al., 2006. Biosc. Biotech. Biochem. 70(12): 2824 – 2835.

[3] Lejeune MP. et al., 2003. Br. J. Nutr. 90: 651-659.

[4] Snitker S. et al., 2009. Am. J. Clin. Nutr. 89: 45-50.

[5] Inoue N. et al., 2007. Biosc. Biotechnol. Biochem. 71(2): 380-389.

[6] Galgani J. and Ravussin E., 2010. Am. J. Clin. Nutr. 92: 1089-1093.

[7] Lee TY. et al., 2010. Nutr. & Metab. 7: 78.

[8] Shin KO. and Moritani T., 2007. J. Nutr. Sci. Vitaminol. 53: 124-132.

Auteur:
 

Prof. Dr. K. Demeyer
VUB - FAFY
Laarbeeklaan 103,
B-1090 Jette.

Datum laatste actualisatie: 21 augustus 2012

Expert: 
expert
Het effect van chroom is het meest uitvoerig bestudeerd voor wat de invloed op de suikerspiegel van diabetici betreft. Het gebruik als hulpmiddel om de drang naar suiker te verminderen is tot op heden minder onderbouwd. Enkele studies wijzen weliswaar in die richting, maar de auteurs besluiten telkens dat bijkomend grootschaliger onderzoek gewenst is.

Er is behoorlijk wat onderzoek gedaan naar de rol van Chroom op bepaalde gezondheidsaspecten, vooral omdat men ervan uitgaat dat de dagelijkse inname van chroom vaak tekort schiet in geval van een ongevarieerd voedingspatroon. Om goed te zijn zouden we dagelijks 50 µg driewaardig chroom moeten innemen. Ideale voedingsmiddelen hiervoor zijn: zeevruchten, oesters, vlees, lever, kaas, volle granen, fruit, groene bonen, spinazie en broccoli. Ook biergist is rijk aan chroom.

We zetten de voornaamste literatuurbevindingen rond chroom even op een rijtje:

  • In de meerderheid van de onderzoeken lijkt chroom picolinaat de meest gebruikelijke vorm te zijn. Dit zout heeft een grotere stabiliteit dan sommige andere zouten en zou de geringe absorptie van chroom ten goede komen. Soms wordt ook niacine- of nicotinaatgebonden chroom als alternatief aangewend.
  • Enkele studies konden worden teruggevonden waarbij werkelijk de invloed van chroompicolinaat op de drang naar suiker bestudeerd werd:
    • Anton et al. voerde een tweeledige studie uit.  Een eerste (kleinschalige) studie betrof 40 zwaarlijvige vrouwen die gedurende 8 weken dagelijks 1000 µg chroom of placebo kregen. De dames uit de chroomgroep aten significant minder, hadden significant minder honger en minder drang naar suikers. Er was een tendens tot meer gewichtsreductie in deze groep, maar het verschil met placebo was niet significant.

    De tweede studie betrof een groep ratten. Deze aten beduidend minder na intracerebroventriculaire inspuiting van chroompicolinaat. Na intraperitoneale toediening was er geen effect op de voedselinname. De onderzoekers besluiten hieruit dat het effect van chroom op het hongergevoel en de suikerdrang mogelijk centraal gemedieerd wordt.

    • Docherty en collega’s voerden een dubbelblinde, placebo-gecontroleerde studie uit met chroompicolinaat bij 75 patiënten met een atypische depressie. Ook hier werd de invloed op de suikerdrang nagegaan en concludeerde men dat er een positief effect was van chroom. De onderzoekers suggereren dat een dosis van 600 µg elementair chroom de drang naar suikers bij deze patiënten kan reduceren.
  • De studies naar het effect van chroom bij insulineresistentie (diabetes type 2) zijn veelvuldiger in aantal. In vitro studies en dieronderzoeken onderstrepen de werking  van chroom. Humane studies komen niet altijd tot een gelijkaardig besluit, waardoor FDA het gebruik van chroom in de diabetestherapie tot op heden niet onderstreept. Volgens critici onterecht. Meerdere onderzoeken tonen immers een positief effect van chroom op de insulinegevoeligheid. Ook uit deze studies blijkt dat de picolinaatvorm het meest geschikte zout is en dit aan een dosis van minimaal 200 µg per dag (alhoewel meerdere studies tot 1000 µg per dag gaan).De grote variabiliteit in resultaten is volgens aanhangers te wijten aan het gebruik van te lage doseringen enerzijds en het niet juist rekruteren van de patiëntenpopulatie. Chroom zou namelijk geen effect heeft op de suikerspiegels wanneer het gebruikt wordt door  gezonde vrijwilligers. Enkel in geval van insulineresistentie werd (soms) een effect gezien. Dit kan worden toegeschreven aan het feit dat mensen met diabetes doorgaans een chroomtekort hebben.
  • Het mechanisme van chroom ter verbetering van insulineresistentie is nog niet helemaal uitgeklaard. Men vermoedt dat chroom een effect heeft ter hoogte van de insulinereceptoren, waardoor insuline als het ware meer actief zou worden en daardoor het glucosetransport zou verbeteren. Ook bepaalde recente genstudies wijzen in die richting (men toonde aan dat chroom zou zorgen voor een upregulatie van bepaalde genen die coderen voor enkele specifieke enzymes betrokken bij de glycolyse homeostase).
  • Sommige reviews wijzen ook op een mogelijk effect van chroom in de reductie van cholesterol (en vooral triglyceriden), alsook in de preventie van cardiovasculaire aandoeningen. De evidentie en het aantal onderzoeken is hier echter minder groot dan voor het gebruik bij diabetes.
Referenties: 

[1] Anton S. et al. Effects of chromium picolinaat on food intake and satiety. Diabetes Technology & Therapeutics 2008; 10 (5): 405-412.

[2] Bartlett H.E. & Eperjesi F. Nutritional supplementation for type 2 diabetes: a systematic review. Ophthal Physiol Opt 2008; 28: 503-523.

[3] Docherty JP et al. A double-blind, placebo-controlled, exploratory trial of chromium picolinaat in atypical depression: effect on carbohydrate craving. J. Psychiatr Pract 2005; 11 (5): 302-314.

[4] Hua Y. et al. Molecular mechanisms of chromium in alleviating insulin resistance. J. Nutr. Biochem 2012; 23 (4): 313-319.

[5] Hummel M., Standl E. & Schnell O. Chromium in metabolic and cardiovascular disease. Horm Metab Res 2007; 39: 743-751

[6] Lau F.C. et al. Nutrigenomic basis of beneficial effects of chromium (III) on obesity and diabetes. Mol Cell Biochem 2008; 317: 1-10.

[7] Wang ZQ & Cefalu WT Current concepts about chromium supplementation in type 2 diabetes and insulin resistance. Curr. Diab Rep 2010; 10 (2): 145-151.

[8] Wiernsperger N. & Rapin J. Trace elements in glucometabolic disorders: an update. Diabetology & Metabolic Syndrome 2010; 2: 70

 

Auteur:
 

Lies Leemans

Datum laatste actualisatie: 10 juli 2012

Expert: 
liels4316
Enkel aarsmaden en lintwormen komen regelmatig in onze streken voor. Het onderscheid tussen beide is vrij eenvoudig te maken door de uiteenlopende symptomen. Aarsmaden en ook uitgescheiden segmenten van lintwormen kunnen bovendien visueel waargenomen worden. Andere worminfecties komen hier niet gemakkelijk voor en worden meegebracht van verre reizen of na langtijdig verblijf in het buitenland. Dit zal snel blijken uit de bevraging van de patiënt. Desgevallend is de ernst van de infectie en de exacte identiteit van de parasiet niet op zicht vast te stellen en is een raadpleging van een specialist terzake aan te raden. In afwachting is een kuur met Vermox aan de dosering, aangeraden bij aarsmaden (oxyuriasis), het proberen waard.

Uit Farmamozaïek [1] halen we de volgende informatie met betrekking tot de klinische verschijnselen bij de belangrijkste worminfecties.

Enterobiasis (aarsmaden, oxyuriasis)

Volwassen aarsmaden zijn ongeveer 1 cm lang en verblijven in het darmlumen. 's Nachts migreren vrouwelijke wormen naar de perianale streek waar tot 10.000 onrijpe eitjes gelegd worden. In een paar uur worden deze eitjes rijp en contamineren de perianale huid, de nachtkledij en het bedlinnen.Ze zijn zichtbaar als witte draadjes in stoelgang en kruipen rond in het aarsgebied

De meeste aarsmade infecties verlopen asymptomatisch. Perianale pruritus komt het vaakst voor. De jeuk is vaak 's nachts het ergst omdat dan de vrouwelijke wormen migreren. Krabben kan leiden tot eczemateuze dermatitis en secundaire bacteriële infectie. Zware infecties kunnen buikpijn en gewichtsverlies veroorzaken. Jeuk kan kinderen hyperactief en emotioneel labiel maken. Blijvende herinfectie kan de occasionele oorzaak zijn van vulvovaginitis en appendicitis.

Lintworm (Taenia Saginata, Taenia Solium)

De meeste individuen worden geïnfecteerd door één worm maar deze kan zo lang (tot 8 meter voor T. saginata en 3 meter voor T.solium) worden dat ze de gastro-intestinale motiliteit en secreties kan verstoren met buikpijn en nausea als gevolg. Patiënten worden een lintworminfectie gewoonlijk gewaar door het aantreffen van segmenten in de faeces. Ook perianale ongemakken, verandering van appetijt, gewichtsverlies en zwakte kunnen symptomen zijn. Obstructieve appendicitis of cholangitis kunnen occasioneel voorvallen wanneer segmenten van T. saginata afwijkend gaan migreren. Intestinale infecties met T. solium kunnen asymptomatisch verlopen.

Spoelworm (Ascaris Lumbricoides)

De meeste individuen zijn slechts door weinig wormen geïnfecteerd en vertonen geen symptomen. Klinische tekenen komen aan het licht bij pulmonaire hypersensitiviteit en intestinale complicaties.

Wanneer de larven door de longen migreren kan de patiënt een irriterende niet-productieve hoest ontwikkelen en een substernaal brandend gevoel hebben dat verergert door te hoesten of diep in te ademen. Ook pneumonitis, bronchiaal astma en urticaria kunnen tijdens het migreren van de larven optreden. Koorts (boven de 38,5°C en eosinofilie komen vaak voor.

Kolonisatie van de gastro-intestinale tractus door volwassen wormen die gedurende meer dan een jaar overleven, kan anorexie, buikpijn en andere gastro-intestinale symptomen veroorzaken. Soms kan de volledige worm of een deel ervan uitgebraakt worden of in de stoelgang terechtkomen. Obstructie van de dunne darm door wormen of, minder frequent, migratie van de wormen in de galwegen, de appendix, de pancreas kanalen of zelfs de bovenste luchtwegen, kan een levensbedreigende spoedoperatie vereisen.

Mijnworm (ancylostomiasis)

De meeste mijnworm infecties verlopen asymptomatisch. Larven kunnen ter hoogte van de huid dermatitis veroorzaken. Onderhuids kunnen ook slangachtige gangetjes opgemerkt worden als gevolg van migratie van de larven. Larven die de longen passeren kunnen occasioneel een milde, transiënte pneumonitis veroorzaken, maar dit komt minder voor dan bij ascariasis. In de vroege intestinale fase kunnen epigastrische pijn (vooral na de maaltijd), inflammatoire diarree of andere abdominale symptomen optreden geassocieerd met eosinofilie.

Het belangrijkste gevolg van een chronische mijnworm infectie is een ijzerdeficiëntie waarvan de symptomen minimaal zijn als er voldoende ijzer ingenomen wordt. Wanneer de ijzerinname echter onvoldoende of marginaal is kunnen er symptomen ontwikkelen van een progressieve ijzerdeficiënte anemie en hypoproteïnemie waaronder zwakte, ademtekort en huiddepigmentatie.

Zweepworm (trichuriasis)

De meeste gevallen komen voor in de vochtige, warme, tropische streken van Azië, Afrika, Centraal en Zuid Amerika en de Caraïben. De meeste infecties verlopen zonder symptomen of eosinofilie. Zware infecties kunnen resulteren in buikpijn, anorexie, bloederige en slijmerige diarree lijkend op 'inflammatory bowel disease'. Trichuriasis kan ook groeivertraging geven. Gezien de wormen een lokale necrosis met bloedverlies veroorzaken op de plaats waar ze hechten aan de darmmucosa, kan een zware zweepworm infectie aanleiding geven tot anemie.

Schistosoma (schistosmiasis)

Bij reizigers in endemische gebieden kenmerkt een initiële infectie zich gewoonlijk als acute koorts (Katayama koorts of acute schistosomiasis) die het gevolg is van de immuunreactie van het lichaam op de zich ontwikkelende wormen en eitjes. Onmiddellijk na infectie klagen patiënten dikwijls van felle jeuk. 2 tot 6 weken na blootstelling kunnen sterk varierende symptomen optreden gaande van koorts, rillingen, hoofdpijn, netelroos of angio-oedeem tot zwakte, gewichtsverlies, niet-productieve hoest, buikpijn en diarree. Soms verdwijnen de symptomen maar keren intenser terug wanneer eitjes gelegd worden. Het aantal eosinofielen en immuuncomplexen in het bloed stijgt. Acute schistosomiasis komt zelden voor na infectie met S. haematobium.

In de praktijk

Van de hogergenoemde wormen komen enkele de aarsmaden en lintwormen regelmatig in onze streken voor. Het onderscheid tussen beide is vrij eenvoudig te maken door de uiteenlopende symptomen. Aarsmaden en ook uitgescheiden segmenten van lintwormen kunnen bovendien visueel waargenomen worden. De overige hier genoemde worminfecties komen hier niet gemakkelijk voor en worden meegebracht van verre reizen of na langtijdig verblijf in het buitenland. Dit zal snel blijken uit de bevraging van de patiënt. Desgevallend is de ernst van de infectie en de exacte identiteit van de parasiet niet op zicht vast te stellen en is een raadpleging van een specialist terzake aan te raden. In afwachting is een kuur met Vermox® aan de dosering, aangeraden bij aarsmaden, het proberen waard.

Meer informatie over tropische worminfecties is te vinden op de website van het Instituut voor Tropische Geneeskunde [2] en van het Center For Diseases Control and Prevention [3].

Referenties: 

[1] Farmamozaïek (zie hyperlinks per hoofdstuk)

[2] Institute of Tropical Medicine, Illustrated lecture notes on Tropical medicine, A Tropical Disease Tour, Helminthiasis, Schistosomiasis, Filariasis

[3] Center For Diseases Control and Prevention

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 25 juni 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Worminfecties

Expert: 
lucls5261
Er is geen enkele medische, goed-onderbouwde bewijskracht terug te vinden in de wetenschappelijke literatuur over de parafarmaceutische producten Nailner, Excilor, Scholl. Andere lokale antischimmelproducten die vrij verkrijgbaar zijn beschikken niet over de geschikte excipiëntia om opname in de nagel toe te laten. Loceryl® kan voor mildere infecties mogelijk wel een oplossing bieden, maar staat op medisch voorschrift. Voor ernstige schimmelinfecties is het nog altijd aangewezen om te kiezen voor orale therapie, vaak gedurende een zeer lange periode.

Laat we eerst even stilstaan bij de structuur van de nagel. Nagels zijn sterk gekeratiniseerd en zeer moeilijk doordringbaar. Het lipidengehalte van de nagel is zeer laag (0,1-1 %) en dat verklaart dat de meeste transdermale producten, die in principe de huid kunnen binnendringen door vervloeiing van de lipidenlaag, niet doorheen nagels geraken.
Wil je toch medicatie via de nagels laten opnemen, dan komt het erop neer om de keratinebarrière te doorbreken. In onderzoek worden zowel mechanische als chemische procedures hiervoor gebruikt.

Mechanische procedures omvatten o.a. het afvijlen van de nagelplaat, impregnatie van sterke zuren, doordringing via laserstraling, microporatie van de nagelplaat, gebruik van ultrasone technieken of elektrische stroomstootjes… kortom niet echt handig voor dagelijks gebruik bij een patiënt!

Verschillende chemische stoffen zijn eveneens uitgetest om de keratinelaag te penetreren. Bedoeling hierbij is de bindingen (vooral thiolbruggen) in de keratinelaag te doorbreken. Stoffen die zijn uitgetest zijn de volgende: thiolen (N-acetylcysteïne), sulfieten, waterstofperoxide, al dan niet gecombineerd met ureum. Dit laatste bestaat onder vorm van een specialiteit ‘MedNail®’, maar is niet in België gecommercialiseerd. Het heeft als doel de nagel voor te bereiden om beter medicatie op te nemen. Verder is ook water niet onbelangrijk in de formulatie. Een grotere vochtigheidsgraad bevordert eveneens de penetratie doorheen de vetvrije laag.

Een optimale formulatie voor nagelpenetratie zou in theorie volgende kenmerken moeten hebben:

  • Makkelijk in gebruik
  • Niet snel afwasbaar, zodat het voldoende lang in contact met de nagel kan blijven.
  • Goede afgave van het geneesmiddel uit het excipiens.
  • Goede penetratie in de nagel. Hiervoor zijn de geneesmiddelenpartikels best klein en ongeladen.
  • Voldoende hydratatiegraad.

De lokale antischimmelproducten die momenteel op de markt zijn voldoen niet aan bovenstaande criteria en zijn bijgevolg onvoldoende effectief voor behandeling van nagelinfecties. Ook al bevat de tinctuurvorm van Daktarin® geen vetbestanddelen en voldoet het dus in theorie al iets meer aan de criteria dan de zalven, de kans dat het voldoende penetreert is enorm klein. De studie van Quintanar-Guerrero toonde zelfs aan dat ethanol (een van de bestanddelen van de tinctuur) de passage doorheen de nagel niet verbetert.  Bij navraag bij J&J kon men evenmin geschikte literatuur voorleggen om een eventueel superieur effect van de tinctuur aan te tonen.

De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat een nagellak het meeste kans op slagen heeft. In dat opzicht kan Loceryl® (op voorschrift) mogelijk wel iets betekenen, op voorwaarde dat de infectie niet té ernstig is.

Producten zoals Nailner®, Excilor®, Scholl® spelen weliswaar in op de betere bevindingen rond nagellak, maar er dient opgemerkt te worden dat deze producten totaal geen schimmeldodende stof bevatten en dus niet afdoende werken tegen echte schimmelinfecties! In de medische  literatuur is rond deze producten geen enkele bewijskracht terug te vinden. Even rondneuzen op Google en je komt tot de constatatie dat gebruikers op diverse fora deze producten als kwakzalverij bestempelen.

Referenties: 

[1] Anonymus, Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium 2012; www.bcfi.be

[2] Productinformatie – FAGG website

[3] Elkeeb R. et al. Transungual drug delivery: current status. Int J Pharm 2010; 384 (1-2): 1-8.

[4] Murdan S. Enhancing the nail permeability of topically applied drugs. Expert Opin Drug Deliv 2008; 5 (11): 1-16.

[5] Nikam V.K. et al. Transungual drug delivery system: a review. Pharmacologyonline 2011; 1: 126-139

[6] Quintanar-Guerrero D. et al. The effect of keratolytic agents on the permeability of three imidazole antimycotic drugs through the human nail. Drug Dev Ind Pharm 1998; 24 (7): 685-90.

Auteur:
 

Lies Leemans

Datum laatste actualisatie: 16 augustus 2012

Expert: 
liels4316
Het lijkt op dit moment te voorbarig om paracetamol met de vinger te wijzen in het ontstaan van autisme. Wellicht spelen heel wat andere factoren een grotere rol. Paracetamol wordt nog altijd als veilig beschouwd tijdens de zwangerschap of borstvoeding. De internationale literatuur raadt weliswaar aan om matig om te springen met deze producten en ze enkel toe te dienen in geval van ernstige koorts of pijn.

Sinds de jaren ’80 is de prevalentie van autisme zichtbaar gestegen. Volgens epidemiologische studies bedroeg de prevalentie in 1966 4 à 5/10.000 geboortes, daar waar twee recentere studies prevalentieratio’s van 14,9 à 34/10.000 aanhalen. Het is vrij logisch dat men relaties probeert te zoeken met de gewijzigde levensstijl van de mens, inclusief voeding en medicatie.
Paracetamol kende sinds haar lancering in de jaren ’80 (wanneer Aspirine door het Reye syndroom bij kinderen in onbruik geraakte) een sterke opmars. Bij kinderen en zwangere vrouwen wordt het sindsdien als meest veilige pijnstiller, althans in therapeutische dosis, naar voor geschoven.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat bepaalde hypothesen rond autisme wijzen in de richting van paracetamol. We zetten de diverse hypothesen even op een rijtje:

  • Bepaalde onderzoekers suggereren dat bij autisten het proces van sulfoconjugatie (vorming van sulfaatzouten) verstoord is. Ze kunnen met andere woorden minder makkelijk sulfaatzouten aanmaken en bijgevolg kan dit storingen geven in de metabolisatie van bepaalde substanties, waaronder paracetamol dat o.a. gemetaboliseerd wordt via sulfoconjugatie, glucuronidatie en het cytochroom P-450 proces. Tot de leeftijd van 10 à 12 jaar lijkt sulfoconjugatie de meest belangrijke metabolisatieweg van paracetamol.  Deze dysfunctie kan dus aanleiding geven tot te hoge paracetamol bloedspiegels, ondanks de toediening van therapeutische doses.  Het analgetisch effect van paracetamol is toe te schrijven aan een verhoging van  endocannabinoïden. Een activatie van dit systeem zou tijdens de ontwikkeling, zowel bij foetus als baby’s en jonge kinderen, neuromusculaire gevolgen kunnen hebben, wat misschien het autisme kan verklaren.

    Het feit dat bij autisme het sulfoconjugatieproces verstoord is, kan ook verklaren dat autistische patiënten bepaalde stoffen zoals fenolamines (dopamine, tyramine en serotonine) niet doeltreffend metaboliseren. En dit kan dan weer een reden zijn waarom deze patiënten meer autistische aanvallen doen na het eten van bepaalde tyraminerijke voedingsstoffen zoals suiker, appels, bananen en chocolade. De auteurs merken weliswaar op dat er niet noodzakelijk een oorzaak-effect relatie is tussen autisme en de verminderde sulfoconjugatie, maar eerder dat bepaalde stoffen deze metabolische dysfunctie meer tot uiting brengen.
     

  • Andere auteurs rapporteren eerder dat paracetamol tot autisme zou kunnen leiden omwille van een effect op de immunologische respons. In dat kader noteren we dat er bepaalde studies eveneens een relatie leggen tussen de inname van paracetamol tijdens de zwangerschap of in jonge levensjaren en het ontstaan van astma.

    Tegelijkertijd vermelden de auteurs dat wellicht ook genetische variaties mee bijdragen tot, en mogelijk de hoofdoorzaak zijn van, de immuniteitsdefecten en het ontstaan van autisme. Dit zou kunnen verklaren dat men bij autistische kinderen vaak darminfecties aantreft.

    Een case-control studie met 163 kinderen toonde een verband tussen het toedienen van paracetamol na vaccinatie tegen mazelen-bof-rubella en het ontstaan van autisme. De methodologie van dit onderzoek wordt echter door andere  wetenschappers in vraag gesteld. Vooral de kleinschaligheid en retrospectieve karakter van de studie krijgen kritiek.

     

  • Een andere studie wijt een mogelijk verband tussen autisme en paracetamol eerder aan een toename van neuronaal cytochroom P450 2E1 enzym wat zou kunnen leiden tot mitochondriale dysfunctie en verhoogde vrijstelling van reactieve zuurstofmoleculen. Deze oxidatieve stress kan neurotoxiciteit induceren bij bepaalde patiënten.

     

  • Nog anderen vermoeden dat ook een genetisch defect een rol zou kunnen spelen. Er bestaan 16 diverse types van serotoninereceptoren. Een variatie in genen die coderen voor deze receptoren kan mogelijk een oorzaak zijn van de digestieve en emotionele problemen bij autisme.

In concreto
Het lijkt op dit moment te voorbarig om paracetamol met de vinger te wijzen in het ontstaan van autisme. Wellicht spelen heel wat andere factoren een grotere rol.
Een artikel vat het geheel goed samen: ‘No evidence is presented here that acetaminophen in any way causes autism. Readers of this hypothesis should not conclude that acetaminophen is central to the etiology of autism or speculate beyond what is presented here. This hypothesis is largely based on multiple lines of often weak evidence. It is hoped that further research can clearly strengthen or disprove the ideas presented here’

Navraag bij BMS (Dafalgan®) leert ons dat op dit moment er geen aanpassingen aan de bijsluiter en SKP (Samenvatting van de Kenmerken van het Product) worden uitgevoerd en paracetamol nog altijd als veilig wordt beschouwd tijdens de zwangerschap of borstvoeding. De internationale literatuur raadt weliswaar aan om matig om te springen met deze producten en ze enkel toe te dienen in geval van ernstige koorts of pijn.

Referenties: 

Alberti A. et al. Sulphation deficit in “low-functioning” autistic children: a pilot study.  Biol Psychiatry 1999; 46: 420-424.

Becker K. & Schultz S. Similarities in features of autism and asthma and a possible link of acetaminophen use. Med Hypotheses 2010; 74 (1): 7-11.

Ghanizadeh A. Acetaminophen may mediate oxidative stress and neurotoxicity in autism. Correspondence/Medical hypotheses 2012; 78:349-351.

Good P. Did acetaminophen provoke autism epidemic? Altern Med Rev 2009; 14 (4): 364-372

Horvath K & Perman J. Autism and gastrointestinal symptoms. Curr Gastroenterol Rep 2002; 4(3): 251-8.

Schultz S.T. Can autism be triggered by acetaminophen activation of the endocannabinoid system? Acta Neurobiol Exp 2010; 70: 227-231.

Schultz S.T. et al. Acetaminophen (paracetamol) use, measles-mumps-rubelle vaccination, and autistic disorder: the results of a parent survey. Autism 2008; 12 (3): 293-307.

Torres A.R. Is fever suppression involved in the etiology of autism and neurodevelopmental disorders? BMC Pediatrics 2003; 3: 9. www.biomedcentral.com/1471-2431/3/9.

Turlejski K. Focus on autism. Acta Neurobiol Exp 2010; 70: 117-118.

Auteur:
Lies Leemans

Datum laatste actualisatie: 13 mei 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en) over Paracetamol

Expert: 
liels4316
Over het gebruik van tamoxifen bij erectiestoornissen is in de literatuur weinig verschenen. Enkel over het gebruik bij erectiele dysfunctie ten gevolge van Peyronie's Disease vonden we studies terug, maar de resultaten van deze studies waren niet eenduidig. De beslissing om bij deze patiënt tamoxifen voor te schrijven, lijkt ons dan ook experimenteel van aard, en berust ons inziens volledig op de klinische inschatting van de arts.

1. Wat is tamoxifen?

Tamoxifen is een middel dat naargelang het weefsel, agonistische of antagonistische effecten ter hoogte van de oestrogeenreceptoren heeft. Er is een agonistisch effect thv het skelet en de lever, en een antagonistisch effect thv het borstweefsel. Ter hoogte van het endometrium is tamoxifen een partiële agonist [1,2].

2. Wat is gekend over de toediening van tamoxifen bij erectiestoornissen?

In de literatuur vonden we enkel informatie terug over het gebruik van Tamoxifen bij erectiestoornissen als die het gevolg zijn van Peyronie's disease (PD) [3,4,5]. Bij deze ziekte is er - meestal als gevolg van een trauma - een lokaal gewijzigde collageencompositie van het bindweefsel, waardoor abnormale littekenvorming in de tunica albuginea van de penis ontstaat. Een mogelijk werkingsmechanisme zou zijn dat tamoxifen de wijzigende secretie van groeifactor β uit fibroblasten moduleert.

Slechts twee studies onderzochten de effecten van tamoxifen bij PD, met uiteenlopende resultaten [4,5]. Aangezien geen uniforme data over de positieve effecten van tamoxifen bij PD beschikbaar zijn, stellen Hellstrom et al.[3] dat het niet aan te raden is dit geneesmiddel routinematig te gebruiken bij de behandeling van patiënten met PD.

Wat betreft het gebruik van sildenafil bij patiënten met PD bestaat geen enkele gerandomiseerde gecontroleerde studie. Echter, één retrospectieve analyse door Levine et al. [6] rapporteerde dat 30% van de geobserveerde patiënten met PD geassocieerde erectiestoornissen (n=48) geen merkbaar voordeel haalde uit het gebruik van sildenafil.

3. Besluit

Omwille van de weinig beschikbare gegevens betreffende de patiënt en de weinige data over de plaats van tamoxifen bij erectiestoornissen, kunnen we geen eenduidig antwoord op de vraag formuleren. De beslissing om bij deze patiënt tamoxifen voor te schrijven lijkt ons eerder experimenteel, en berust volledig op de klinische inschatting van de arts.
 

Referenties: 

[1] Farmacotherapeutisch Kompas; via www.ftk.nl, geraadpleegd op 11/05/2012
 

[2] Belgische Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie; via www.bcfi.be, geraadpleegd op 11/05/2012
 

[3] Hellstrom et al. Medical management of Peyronie's Disease. J Androl 2009;30:397–405.
 

[4] Teloken C et al. Tamoxifen versus placebo in the treatment of Peyronie's disease. J Urol. 1999;162(6):2003–2005
 

[5] Ralph DJ et al. The treatment of Peyronie's disease with tamoxifen. Br J Urol. 1992;70(6):648–651.
 

[6] Levine LA et al. Treatment of erectile dysfunction in patients with Peyronie's disease using sildenafil citrateInt. Journ. of Impotence Research 2002; 14: 478–482.

Auteurs:
Apr. Eline Tommelein
Prof. Dr. Apr. Koen Boussery

Eenheid voor Farmaceutische Zorg
Faculteit Farmaceutische Wetenschappen
Universiteit Gent

Datum laatste actualisatie: 16 mei 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Tamoxifen

Expert: 
koeby2662
Het antwoord op deze vraag is te lezen op de bijsluiters. Bij toepassing van lidocaïne voor lokale anesthesie wordt, om systeemeffecten te vermijden, adrenaline toegevoegd als vasoconstrictor, vooal bij hogere dosis of op plaatsen met hoge vascularisatie.

We verwijzen naar de bijsluiter van XYLOCAINE 1%- en 2%-oplossing  I.V. - infiltr (locoregionaal) 10 - 20 mg/ml, bestemd voor .

De indicaties zijn de volgende:

  • Lokale anesthesie door infiltratie in de geneeskunde, de chirurgie en de tandheelkunde.
  • Regionale anesthesie: caudale anesthesie, peridurale anesthesie, plexusanesthesie, truncusanesthesie, intraveneuze locoregionale anesthesie.
  • Intra- of peri-articulaire infiltraties.
  • Sympathische infiltraties.
  • Intra- of peri-arteriële injecties (arteriitis, vasculaire syndromen van de extremiteiten, ambulante handchirurgie wanneer de aderen moeilijk bereikbaar zijn).

Om systemische werkingen te vermijden moet het product lokaal gehouden worden. Vandaar de toevoeging van de vasoconstrictor adrenaline. In de bijsluiter lezen we daarover verder:

"Alvorens te injecteren, dient een aspiratie te worden uitgevoerd om zeker te zijn dat geen accidentele intravasculaire injectie wordt uitgevoerd. Voorzichtigheid is vooral geboden bij injectie in sterk gevasculariseerde zones als de mondholte, de perianale en vaginale streek en de penis.  ........ Wanneer een hoge dosis moet worden ingespoten, b.v. bij een epiduraal blok, is een testdosis van 3-5 ml lidocaïne met adrenaline aanbevolen. Een accidentele intravasculaire injectie kan herkend worden door een tijdelijke toename van de hartslag. ..... De 1% en 2%-ige oplossingen mogen alleen voor kleinere operatievelden worden gebruikt. De 2%-ige oplossing wordt vooral in de tandheelkunde gebruikt.
XYLOCAINE oplossingen zonder adrenaline kunnen worden toegediend als minder langdurige anesthesie is vereist of als adrenaline gecontra-indiceerd is."

Lidocaïne wordt ook gebruikt als anti-arytmicum voor de behandeling van ventriculaire tachyritmieën. Hiervoor verwijzen we naar de bijsluiter van XYLOCARD 100 I.M. - I.V. amp (100mg/5ml).

  • Behandeling en preventie van:
    • ventriculaire aritmieën bij myocardinfarct;
    • ventriculaire aritmieën tijdens een operatie of tijdens een onderzoek ter hoogte van het hart;
    • ventriculaire aritmieën bij cardioversie.
  • Behandeling van ventriculaire aritmieën veroorzaakt door digitalisintoxicatie of narcose.
Referenties: 

[1] bijsluiter van XYLOCAINE 1%- en 2%-oplossing.

[2] bijsluiter van XYLOCARD 100 I.M. - I.V. amp (100mg/5ml).

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 9 mei 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgende onderwerpen: Lokale anesthetica, Lidocaïne en mexiletine

Expert: 
lucls5261
Volgens de bijsluiter zijn maagspasmen inderdaad een indicatie voor anticholinerg werkende Buscopan®. De overige spasmolytica werken musculotroop en hebben enkel affiniteit voor de darm, in het bijzonder het colon. Het begrip maagkrampen is evenwel vaag. De patiënt zal verder bevraagd worden ten einde zijn klacht beter te begrijpen en na te gaan of hij met een spasmolyticum kan geholpen worden.

Het antwoord op deze vraag is te lezen in de bijsluiters. De therapeutische indicaties van het anticholinergicum Buscopan® zijn: "Symptomatische behandeling van spasmen van het spijsverteringskanaal, de galwegen, de urinewegen en de genitaliën: galkolieken, nierkolieken, spastisch colon, slokdarmspasmen, maagspasmen, spasmen bij diarree of gastro-enteritis." Hyoscinebutylbromide, het actief bestanddeel van Buscopan® heeft een hoge affiniteit voor muscarinereceptoren. Omdat het slechts voor enkel percenten geabsorbeerd wordt, is de biologische beschikbaarheid van Buscopan® minder dan 1% . De werking beperkt zich dus tot de muscarinereceptoren van het gastro-intestinaal stelsel waar het een relaxatie van de gladde spieren van maag- en darmwand teweegbrengt. Buscopan® kan ook parenteraal aangewend worden voor de behandeling van ernstige gal- of nierkolieken. De werking blijkt op dat vlak echter niet spectaculair en voldoet niet om de pijn te stillen bij hevige kolieken.

Terwijl Buscopan® een anticholinergicum is, zijn de musculotrope spasmolytica dat niet. Ze hebben een sterke selectiviteit voor de gladde spieren van het gastro-intestinaal stelsel en in het bijzonder die van het colon. De indicatie "maagspasmen" vinden we niet terug bij de musculotrope spasmolytica.

  • Spasmine®: "Symptomatische behandeling van spastische pijntoestanden ter hoogte van het colon zoals bij het 'prikkelbare darmsyndroom' ".
  • Duspatalin®: "Spastisch colon"
  • Mebeverine EG® vermelden kort en bondig als indicatie: "Functionele stoornis van het colon (spastisch colon)."
  • Spasmomen®:  "Spasmen van het colon, zoals bij het ‘irritable bowel’ syndroom (IBS)'."

Wat zijn in feite maagspasmen?

Volgens Wikipedia zijn er volgende soorten buikpijn:

  • Pijn in het rechterbovenkwadrant (onder de ribbenboog en boven de navel): kan duiden op galstenen, galwegontsteking, hepatitis, en andere aandoeningen van lever, galwegen en soms pancreas.
  • Pijn rechts onder in de buik komt vooral van de dikke darm en de blinde darm, bij vrouwen mogelijk ook de eierstok.
  • Pijn midden onder doet denken aan de blaas en bij vrouwen aan de baarmoeder, indien deze pijn wordt veroorzaakt door menstruatie spreekt men liever van menstruatiepijn.
  • Pijn links onder in de buik hangt meestal samen met het colon, maar ook met eileiders of eierstokken.
  • Pijn links boven past meer bij het colon, maar ook de milt is een mogelijke oorzaak.
  • Pijn midden boven in de buik komt vaak van de maag af, maar kan door het pancreas worden veroorzaakt, pijn rond de navel kan wijzen op de dunne darm, maar wordt bij kinderen vaak gezien zonder aanwijsbare oorzaak.
  • Pijn net onder de ribbenboog kan van de maag komen, en zelfs van het hart.
  • Soms is de buikpijn gelokaliseerd in de buikwand zelf; er is dan sprake van ACNES (Abdominal Cutaneous Nerve Entrapment Syndrome). De pijn zit dan aan één van de zijkanten van de buik en is vaak met één vinger aan te wijzen

De term maagkrampen of maagpijn is niet accuraat gedefinieerd en wordt subjectief gebruikt om diverse symptomen en sensaties te verwoorden. Wat juist de plaats en oorzaak is van de pijn is, is daaruit moeilijk af te leiden en kan zeer divers zijn, zoals het lijstje hierboven al aangeeft. In de vraagstelling naar de patiënt zal men de gebruikte term dan ook best niet te nauw nemen en bijkomende vragen stellen om te weten te komen wat er aan de hand is.

Referenties: 

[1] www.bcfi.be

[2] Sesam - Atlas van de Farmacologie, 6e druk, p.128 , p. 108

[3] Tytgat GN., Hyoscine butylbromide: a review of its use in the treatment of abdominal cramping and pain, Drugs. 2007;67(9):1343-57. (https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/17547475 )

[4] http://en.wikipedia.org/wiki/Abdominal_pain

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 25 juni 2012

Expert: 
lucls5261
Inhoud syndiceren