Skip to Content
Behalve enkele losse cases in oudere referenties, bestaat er toch een vrij grote eensgezindheid in de literatuur. Allergie voor fluoride is onwaarschijnlijk en nooit overtuigend aangetoond. Het blijft uiteraard mogelijk dat bepaalde tandpasta's slecht verdragen worden omwille van andere oorzaken. De oplossing bestaat er eenvoudig uit de verdachte tandpasta tijdelijk te mijden.

De recente literatuur bevestigt het nut van fluoride bevattende tandpasta bij de preventie van caries bij kinderen en adolescenten. Dit effect wordt echter pas significant ten opzichte van placebo bij fluorideconcentaties >1000 ppm . De preventieve werking stijgt met het fluoridegehalte. Tevens wordt gewaarschuwd voor een verhoogd risico van fluorose indien met fluoridetandpasta's gestart wordt bij kinderen <12 maanden oud. De evidentie terzake is zwak en overtuigt niet iedereen [Wong, 2011].

Wat de vermeende allergie betreft is een discussie terzake in de British Dental Journal een interessant aangrijpingspunt. In een Letter to the Editor maakt een arts melding van een patiënt die zich bij hem aanbiedt en beweert al jaren allergisch te zijn voor fluoride [Keanie, 2007]. In een reactie op dit rapport acht een andere auteur [Jones, 2007] het hoogst onwaarschijnlijk dat iets dergelijks bestaat en geeft hiervoor de volgende argumenten:

  • de wijdverspreide aanwezigheid  van fluoride in onze voeding (in sommige landen nog toegevoegd aan leidingwater, niet in België) maakt het nagenoeg onmogelijk alle contact met fluor uit te sluiten. Als een allergische reactie op fluoriden in tandpasta mogelijk is, zou een reactie op de oraal gebruikte fluoriden ook niet kunnen uitblijven.
  • experten in het domein van de allergie komen in meerdere reviews, waarnaar wordt gerefereerd,  tot dezelfde conclusie met name dat er geen enkel argument is om aan te nemen dat fluoride overgevoeligheid noch enige andere immunologische reactie kan teweegbrengen.
  • er zijn geen voldoende geconfirmeerde gevallen van allergie tegen fluoride beschreven, evenmin bestaan er rapporten van overtuigende huidtesten op mens of dier, noch zijn epidemiologische verbanden beschreven tussen een stijgend fluoridegebruik (vb. toegevoegd in drinkwater) en allergie. Fluoriden worden bovendien aangetroffen in voedingsmiddelen en dranken. Ook in die sector zijn er geen rapporten.

Nochtans zijn er in het kader van aanrijking van drinkwater met fluoride heel wat antifluorcomités actief in de wereld [Wikipedia]. De discussie draait daarbij vooral rond het feit  dat fluor niet als essentieel voedingselement beschouwd mag worden, terwijl het risico tot fluorose toch in bepaalde omstandigheden niet te verwaarlozen is. Het Advies van de Hoge Gezondheidsraad [Naamloos, 2011] ligt in dezelfde lijn. Ondermeer in België wordt geen fluor meer toegevoegd aan het drinkwater. In heel de discussie wordt met geen woord gerept over mogelijke allergieën.

Oudere publicaties beschrijven enkele casussen van vermeende allergie voor fluoride. Een commentaar wijst echter op de onvolledigheid van de verstrekte gegevens en wijst erop dat er voor de waargenomen intolerantie ook wel andere verklaringen mogelijk zijn, zoals de vorming van corrosief waterstoffluoride of enzyme-inhibitie [Spittle 1993]. Bij een aantal aantal andere gevallen was er sprake van positieve patchtesten en was het probleem opgelost door fluoride druppels of tandpasta te mijden  [ Shea 1967].

Het blijft uiteraard mogelijk dat bepaalde tandpasta's slecht verdragen worden omwille van andere oorzaken. Een Finse review onderzocht de samenstelling van 48 tandpasta's.  De helft van de producten bevatte in totaal een 30-tal stoffen, gewoonlijk smaak- of conserveermiddelen, die bekend staan als potentiële allergenen [Sainio 1995].  De oplossing bestaat er eenvoudig uit de verdachte tandpasta tijdelijk te mijden.

Referenties: 

[1] Wong MC, Clarkson J, Glenny AM, Lo EC, Marinho VC, Tsang BW, Walsh T, Worthington HV., Cochrane reviews on the benefits/risks of fluoride toothpastes., J Dent Res. 2011 May;90(5):573-9. Epub 2011 Jan 19.

[2] Keanie H., Fluoride allergy, letter to the Editor, British Dental Journal 202, 507 - 508 (2007)

[3] Jones S.,  Virtually impossible, letter to the Editor, British Dental Journal 203, 176 (2007)

[4] Wikipedia, Fluoridering van drinkwater

[5] Naamloos, Fluor ter preventie van tandcariës, Advies van de Hoge Gezondheidsraad nr. 8671 (herziening van het advies Fluor nr. 8520), 7 december 2011

[6] Spittle B., Allergy and Hypersensitivity to Fluoride, Fluoride Vol 26 No.4 267-273 1993

[7] Shea J.J. , Gillespie S.M. and Waldbott G.L., Allergy to fluoride, Annals of Allergy, July 1967; Volume 25; Pages 388-391

[8] Sainio E.-L., Kanerva L.,, Contact allergens in toothpastes and a review of their hypersensitivity,  Contact Dermatitis Volume 33, Issue 2, pages 100–105, August 1995

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 6 november 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgende onderwerpen: Tandverzorging, Fluoride

Expert: 
lucls5261
Volgens een artikel van april 2006 uit de Folia is zowel een dosering aan 1 mg per dag als een toediening van 5 mg (eventueel te verhogen tot bv. 10 mg) eenmaal per week mogelijk. Voor meer details verwijzen we naar een andere recent beantwoorde Qbox-vraag.

We verwijzen naar een recent beantwoorde Qbox-vraag over het gebruik van foliumzuur ter ondersteuning van de behandeling met methotrexaat. Hieronder een korte passage die wellicht al veel verduidelijkt.

Reeds in april 2006 schreef de Folia dit: “Inderdaad is in meerdere placebo-gecontroleerde studies een gunstig effect gezien met foliumzuur, zowel wanneer toegediend aan 1 mg per dag, als wanneer toegediend aan 5 mg (eventueel te verhogen tot bv. 10 mg) eenmaal per week. Bij gebrek aan vergelijkende studies, bestaat er geen consensus over de optimale dosis en frequentie van toediening van foliumzuur. In de praktijk wordt foliumzuur vaak magistraal voorgeschreven in een dosis van 1 mg per dag.”

Expert: 
lucls5261
Monopreparaten van bètacaroteen hebben maar zin als de "doelpopulatie" het werkzaam bestanddeel kan aanwenden voor de eigen pigmentproductie. Maar dan nog verdient het aanbeveling dit met het voedsel te mengen. Het los uitstrooien van niet in voeding verwerkt bètacaroteen in een aquarium lijkt ons niet trefzeker, mede door zijn quasi onoplosbaarheid in water.

Omdat dit onderwerp enigszins buiten de scope van de Qbox valt, beperken we ons tot een bondig antwoord dat hopelijk toch de weg wijst, zonder de ambitie volledig te zijn.

Vissen bevatten allerlei soorten carotenen o.a. tunaxanthine, luteïne, bètacaroteen,  doradexanthines, zeaxanthine, canthaxanthine, astaxantine enz ...   Astaxantine is verantwoordelijk voor de kleur van vele rode vissen waaronder de goudvis. Bij andere vissoorten zijn andere carotenoïden dominant, wat een grote diversiteit aan kleurschakeringen tussen de vissoorten met zich meebrengt.

Dieetsupplementen van carotenoïden kunnen de kleur van siervissen verbeteren. Bètacaroteen kan daar in vele gevallen toe dienen, maar moet door de vis wel kunnen worden omgezet tot de soortspecifieke carotenoïden om te kunnen bijdragen tot de typische kleur. Een goudvis is bijvoorbeeld niet in staat bètacaroteen te transformeren in het voor deze vis dominante  astaxanthine. Astaxantine bevattende diëten zijn wel zinvol. De optimale aanvoer van astaxantine via dieet bedraagt 36-37 mg/kg voeding.

Globaal gaat de voorkeur naar natuurlijke bronnen van gemengde carotenoïden, als onderdeel van de voeding. Natuurlijke bronnen van carotenoïden zijn bijvoorbeeld zeewier, krab, garnalen, gisten, maïs, rivierkreeft enz..   Zuivere monopreparaten kunnen enkel als er geen twijfel over bestaat dat de "doelpopulatie" het werkzaam bestanddeel van dat monopreparaat kan aanwenden voor de eigen pigmentproductie. Maar dan nog verdient het aanbeveling dit met het voedsel te mengen, om er enige zekerheid over te hebben dat de dieren het ook werkelijk innemen. Het los uitstrooien van niet in voeding verwerkt bètacaroteen in een aquarium lijkt ons niet trefzeker, mede door zijn quasi onoplosbaarheid in water.  

Voor meer details over dit onderwerp, zie referentie 2 , waarvan de volledige (engelstalige) tekst  vrij toegankelijk is [2]. De geciteerde blog [1] is ook verhelderend. De onvermijdelijke commerciële boodschappen nemen we maar voor wat ze zijn.

Referenties: 

[1] An aquarium hobby blog: Color enhancement, explained

[2] Use of natural carotenoids for pigmentation in fishes

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 28 september 2012

Expert: 
lucls5261
We verwijzen naar de Folia Pharmacotherapeutica van April 2007, waar erop wordt gewezen dat het niet aangetoond is dat een vitaminetekort aan de basis ligt van aften noch dat vitaminesupplementen de genezing versnellen. Preventief wordt aanbevolen traumata (bv. door gebruik van een te harde tandenborstel of eten van harde en scherpe spijzen) en zuurrijke voedingswaren en dranken te vermijden. Behandelingen, welke dan ook, hebben slechts een matig effect en worden vooral toegepast bij frequente en hinderlijke aften.

Stand van zaken volgens Folia Pharmacotherapeutica - april 2007

"Meestal wordt geen oorzaak gevonden. Bij ernstige, plots optredende vormen is het wel nuttig de rol van systemische aandoeningen (bv. syndroom van Behçet, inflammatoir darmlijden, coeliakie, virale infecties zoals HIV of herpes), en van geneesmiddelen (vooral NSAID’s, β-blokkers, alendronaat) uit te sluiten. Bij sommige patiënten met recidiverende aften wordt een tekort aan ijzer, vitamine B of foliumzuur gevonden, maar er is geen evidentie dat vitamine- of ijzersupplementen de genezing versnellen, en systematisch bepalen van de foliumzuur-, vitamine B12 en ferritine-spiegels kan niet worden aanbevolen.

Idiopathische recidiverende aften verdwijnen spontaan in 1 à 2 weken. Behandeling is dus niet per se noodzakelijk, en wordt vooral toegepast bij frequente en hinderlijke aften. Er wordt aanbevolen traumata (bv. door gebruik van een te harde tandenborstel of eten van harde en scherpe spijzen), en zuurrijke voedingswaren en dranken te vermijden. Behandeling wordt vooral toegepast bij frequente en hinderlijke aften.

Lokale behandeling op basis van lidocaïne (bij voorkeur als viskeuze oplossing), van chloorhexidine of van triamcinolonacetonide (0,1% als gingivale pasta) wordt voorgesteld, maar de evidentie van doeltreffendheid is beperkt, en ongewenste effecten zijn niet uit te sluiten.

Bij patiënten met ernstige recidiverende aften lijkt systemisch gebruik van corticosteroïden een mogelijke behandeling, maar er is geen evidentie dat dit doeltreffender is dan lokale toepassing van corticosteroïden" [1]

Is de situatie vandaag gewijzigd?

Ook vandaag blijft de toon voorzichtig, voorwaardelijk en zonder overtuigende  bewijskracht. We citeren enkele representatieve publicaties.

Recurrente afteuze stomatitis (RAS) wordt slechts zelden geassocieerd met B12-deficientie; Nochtans kan een behandeling met B12 een gunstig effect hebben, via een nog onbekend mechanisme. Wat de werkzaamheid van mogelijke therapieën betreft rapporteerden 33 gecontroleeerde studies in de laatste 6 jaren een matige werkzaamheid, maar alle studies kunnen worden bekritiseerd omwille van een niet te verwaarlozen biaspotentieel [2].

Resultaten van een andere studie tonen aan dat patients met RAS frequent lagere hoeveelheden vitamin B12 en folaat in hun dieet hadden dan een controlegroep. Dit stemt  overeen met vroegere studies, die een verband aantoonden tussen het ontstaan RAS en hematologische tekorten aan vitamin B12 en folaat. De bevindingen suggereren dat het consumeren van voldoende hoeveelheden een bruikbare strategie kan zijn om het aantal en de duur van  RAS episodes te verlagen [3].

Over een consensus mogen we dus zeker niet spreken.

Referenties: 

[1] Anoniem, Behandeling van idiopathische recidiverende aften, Folia Pharmacotherapeutica, April 2007

[2] Baccaglini L, Lalla RV, Bruce AJ, Sartori-Valinotti JC, Latortue MC, Carrozzo M, Rogers RS 3rd., Urban legends: recurrent aphthous stomatitis., Oral Dis. 2011 Nov;17(8):755-70. doi: 10.1111/j.1601-0825.2011.01840.x. Epub 2011 Aug 4.

[3] Kozlak ST, Walsh SJ, Lalla RV., Reduced dietary intake of vitamin B12 and folate in patients with recurrent aphthous stomatitis, J Oral Pathol Med. 2010 May;39(5):420-3. Epub 2010 Feb 7.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 2 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Aften

Expert: 
lucls5261
In de wetenschappelijke literatuur is geen informatie over de combinatie van nasale decongestiva en nasaal toegediende gonadoreline-analogen terug te vinden. Op basis van informatie uit bijsluiters en informatie van de firma, raden we aan het gebruik van nasale decongestiva te vermijden tot 30 minuten na de nasale toediening van busereline.
  1. Wat is Suprefact® neusspray

Suprefact® neusspray bevat busereline, een synthetisch analoog van gonadoreline met agonistische werking. Busereline is geïndiceerd voor ovariële stimulatie als voorbereiding op IVF, waarbij het frequent gecombineerd wordt met humaan menopauzaal gonadotropine (HMG) om een premature LH-piek te vermijden. Ook bij endometriose en uteriene fibromen is busereline geïndiceerd [1, 2].

  1. Wat is gekend over gelijktijdig gebruik van Suprefact® en een nasale vasoconstrictor

De patiëntbijsluiter [2] van de Suprefact® neusspray geeft geen informatie betreffende het gelijktijdig gebruik van nasale decongestiva en Suprefact®. De Nederlandstalige Summary of Product Characteristics (SPC) [3] meldt wel het volgende: “Indien de neusspray volgens voorschrift wordt gebruikt vindt een betrouwbare absorptie van de actieve substantie door het neusslijmvlies plaats. Zelfs als de patiënt verkouden is, wordt Suprefact® neusspray goed opgenomen. Bij verkoudheid dient wel, vóór gebruik van Suprefact® neusspray, de neus krachtig gesnoten te worden”

De Engelstalige SPC [4] maakt daarentegen wel melding van het gelijktijdig gebruik van nasale decongestiva: “If nasal decongestants are being used concurrently, they should be administered at least 30 minutes after buserelin”.

We contacteerden de Belgische afdeling van de verantwoordelijke firma over het verschil tussen beide wetenschappelijke bijsluiters, en vroegen naar een rationale. Zij raadden ons aan 30 minuten te wachten vooraleer nasale decongestiva toe te dienen na het gebruik van Suprefact®, maar gaven hiervoor geen rationale.

In de internationale wetenschappelijke literatuur is geen informatie over de combinatie van nasale decongestiva en gonadoreline-analogen, toegediend via nasale weg, terug te vinden.

  1. Besluit

Hoewel we geen zicht hebben op de achterliggende reden, lijkt het ons aangewezen het advies van de producent op te volgen en dus het gebruik van nasale decongestiva te vermijden tot 30 minuten na de nasale toediening van busereline.

Referenties: 

[1] BCFI via www.bcfi.be, geraadpleegd op 12/10/2012
[2] Patiëntbijsluiter Suprefact® neusspray, via www.bcfi.be, geraadpleegd op 12/10/2012
[3] Wetenschappelijke bijsluiter Suprefact® neusspray, via www.bcfi.be, geraadpleegd op 12/10/2012
[4] Wetenschappelijke bijsluiter Suprefact® neusspray – Engelstalig, via http://www.medicines.org.uk/emc/medicine/12377/SPC, geraadpleegd op 12/10/2012

Auteur:
Apr. Eline Tommelein
Prof. Dr. Apr. Koen Boussery

Eenheid voor Farmaceutische Zorg
Faculteit Farmaceutische Wetenschappen
Universiteit Gent

Datum laatste actualisatie: 12 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Gonadorelines

Expert: 
koeby2662
Oestradiolbenzoaat is op een andere hydroxylgroepveresterd dan oestradiolvaleraat. Bovendien is er veresterd met een ander zuur. Op die manier wordt het erg moeilijk om een voorspelling te doen.

Oestradiol valeraat of valerianaat is een ester van oestradiol op de hydroxylgroep gepositioneerd op koolstof nr 17.  Oestradiol benzoaat echter is veresterd op een andere hydroxylgroep namelijk op positie  3.  Bovendien is er veresterd met een ander zuur.  Op die manier wordt het erg moeilijk om een voorspelling te doen.  Zijn de esterases, ook aanwezig in de huid, even efficiënt  op deze twee plaatsen en met een verschillend vetzuur?  Hoe snel is de resorptie van deze twee producten?  Deze vaststelling, samen met het gebrek aan vergelijkende gegevens uit de literatuur (en we hebben hard gezocht) zorgen ervoor dat we geen gefundeerde uitspraak kunnen doen over de uitwisselbaarheid van deze twee producten in deze situatie.

We noteren hierbij nog dat de terminologie  “dystrofie van vaginale slijmvliezen” een verzamelnaam is voor een aantal verschillende ziektebeelden met hun eigen aanpak.  Ook over het lokaal gebruik van het antibioticum cefalexine in een gynaecologische context vonden we geen enkele referentie terug in de medische literatuur en ook hier hebben we hard gezocht.

Referenties: 

Alle referenties zijn als hyperlinks in de tekst terug te vinden.

Auteur:
 

Hans De Loof
University of Antwerp - Campus Drie Eiken
Pharmacology
Universiteitsplein 1
B-2610 Antwerpen
 

Datum laatste actualisatie: 15 december 2012

Expert: 
loode1400
Deze uitspraak is niet juist. Het lijdt evenwel geen twijfel dat magnesiumoxide de slechtst resorbeerbare vorm van magnesium is. De absorptiegraad bedraagt vermoedelijk nagenoeg slechts 4%. Het klopt ook dat er diverse wateroplosbare, beter resorbeerbare vormen van magnesium beschikbaar zijn, zoals ondermeer magnesiumaspartaat, -chloride, -lactaat, -citraat, -gluconaat en -glycinaat. Het glycinaat verdient daarin geen speciale ereplaats. Het gemiddelde absorptiepercentage van deze zouten zou liggen in de orde van 30%. Een eenduidige consensustabel vonden we echter niet. Naast de genoemde zouten zijn magnesiumhydroxide en zelfs magnesiumoxide, zo mogelijk in bruistabletten, een waardig alternatief.

Studies

We overlopen het feitenmateriaal dat hierover in de literatuur bereikbaar is.

Een studie uit 1990 vergeleek magnesumoxide met magnesiumcitraat.  In vitro werd aangetoond dat de oplosbaarheid van magnesiumoxide in  diverse gesimuleerde maagzuuromgevingen (0 - 24.2 mEq HCl/ 300 ml H2O) bij de piekzuurconcentratie tot maximaal 43% steeg, terwijl aspartaat in alle omstandigheden, ook in neutraal milieu, voor 55% oploste.  Er had geen reprecipitatie plaats wanneer de heldere filtraten vervolgens op pH 6-7 gebracht werden, om de meer alkalische pH van het duodenum te simuleren. In vivo bevindingen lagen in dezelfde lijn en wezen op een betere biologische beschikbaarheid van magnesiumcitraat. Tijdens de eerste 4 uur na toediening van 25 mmol magnesiumcitraat werd 0.22 mg Mg/mg creatinine in de urine teruggevonden  tegenover slechts 0.006 mg Mg/mg creatinine na magnesiumoxide (p<0.05).  De daaropvolgende 2 uur werden  resp. 0.035 versus 0.008 mg Mg/mg creatinine  (p<0.05) gemeten [Lindberg, 1990].

Een andere studie vergeleek bij 18 gezonde vrouwelijke studenten van ofwel een combinatiepreparaat van magnesiumlactaat + magnesiumcitraat, of  een combinatiepreparaat van magnesiumlactaat + magnesiumcitraat + magnesiumhydroxide, of een monopreparaat met magnesiumhydroxide, of een monopreparaat met magnesiumchloride.  De onderlinge verschillen in urinaire magnesiumexcretie waren na toediening niet significant, terwijl ze wel significant verhoogden ten opzichte van de basislijn  van vóór de toediening [Bøhmer, 1990]. De slechte beschikbaarheid zou volgens deze studie dus niet gelden voor magnesiumhydroxide. Magnesiumoxide kwam in deze studie niet voor.

Tijdens nog één andere studie  kregen normale vrijwilligers 21mEq/dag Mg toegediend in 4 verschillende  vormen: magnesiumoxide, magnesiumchloride, magnesiumlactaat en magnesiumaspartaat. Van magnesiumoxide werd de graad van absorptie geschat op slechts 4 %, terwijl de andere zouten tenminste 4 maal hoger scoorden [Firoz, 2001].

Een  studie van Walker van 2003 bij 46 personen, verdeeld in 5 groepen, bevestigt dat zowel bij dagsupplementatie als bij chronisch gebruik gedurende 60 dagen magnesiumcitraat en magnesiumglycinaat superieur zijn aan MgO en placebo. Dit blijkt duidelijk uit de 24u urinaire excretie. Ook de plasma-,  erythrocyten- en speekselconcentraties werden in deze studie gevolgd. Daaruit bleek dat enkel met magnesiumcitraat significante stijgingen in de plasma- en  speekselconcentraties werden gemeten. Dit resultaat wordt uitgelegd als zou magnesium sneller vrijgemaakt worden uit het citraat dan uit het magnesiumglycinaat. De auteurs suggereren verdere studies om de resultaten te bevestigen [Walker, 2003].

Jaren vroeger werd eraan getwijfeld of de meting van plasmaspiegels zin heeft, omdat het aangevoerde Mg zeer snel uit het bloed verdwijnt door distributie in de weefsels (99% van lichaams Mg). Behalve de bepaling van de urinaire excretie wordt de toediening van een stabiele isotoop, in casu 26Mg,  gevolgd door het bepalen van isotoopratio's (26Mg/24Mg ) als een zinvolle aanpak beschouwd [Benech, 1995].

Middels een studie op 80 mannelijke Wistar-ratten van 6 weken oud, werden met behulp van stabiele isotoop van Mg (26Mg) de opnames vergeleken van magnesiumoxide, -chloride, -sulfaat, -carbonaat, -acetaat, -pyroglutamaat (-pidolaat), -citraat, -gluconaat, -lactaat en -aspartaat. Na een Mg-depletieperiode van 3 weken werden de ratten 2 weken lang gevoed  met eenzelfde dieet aangerijkt met 550 mg Mg/kg. Op dag 10 werd daaraan 1.8 mg met 26Mg verrijkt product toegevoegd en werden 4 dagen lang de isotoopratios gevolgd in faeces en urine. De absorptiewaarden varieerden van 50 - 67%. Magnesiumgluconaat scoorde het hoogste van de 10 bestudeerde zouten.  De organische zouten scoorden iets beter dan de anorganische zouten. De magnesiumabsorptie werd ruim voldoende bevonden voor alle onderzochte producten. Magnesiumoxide komt jammer genoeg in dit verhaal echter niet voor [Coudray, 2005].

Tenslotte is er ook nog de mogelijkheid om magnesiumoxide aan te bieden onder vorm van bruistabletten. Dertien mannelijke vrijwilligers tussen 22-31 jaar kregen 450 mg magnesium toegediend in twee magnesiumoxide-formuleringen, met name magnesiumoxide in capsulen en magnesiumoxide in bruistablet.  Een cross-over protocol werd toegepast om de interindividuele verschillen te neutraliseren. De proefpersonen gebruikten een gestandaardiseerd dieet tijdens de studie.  De urinaire excretie steeg met 40% na gebruik van de bruistabletten en met 20% na gebruik van de gewone capsulen [Siener, 2010].

Waarom dan toch magnesiumoxide?

Magnesiumoxide is, met een magnesiumgehalte van 60%, de meest compacte en goedkope  vorm van Mg.  Zonder excessief hoge dosissen te moeten hanteren, kan toch vrij veel magnesium worden toegediend, wat gedeeltelijk compenseert voor de lage resorbeerbaarheid. De waarheid is dus genuanceerder dan reclamejongens en andere pseudo-wetenschappelijke waarzeggers willen doen geloven. Dat andere vormen van magnesium een veel betere biologische beschikbaarheid hebben, daarover is iedereen het eens, maar dat het glycine-complex de enige bruikbare vorm zou zijn,  is manifest onwaar. Een consensus over de exacte cijfers werd echter niet gevonden.

 

% Mg

magnesiumoxide

60%

magnesiumhydroxide

42%

magnesiumcarbonaat

29%

magnesiumcitraat

16%

magnesiumlactaat

12%

magnesiumchloride

12%

magnesiumsulfaat

10%

Referenties: 

[1] Benech H, Grognet JM., Recent data on the evaluation of magnesium bioavailability in humans, Magnes Res. 1995 Sep;8(3):277-84.

[2] Bøhmer T, Røseth A, Holm H, Weberg-Teigen S, Wahl L., Bioavailability of oral magnesium supplementation in female students evaluated from elimination of magnesium in 24-hour urine, Magnes Trace Elem. 1990;9(5):272-8.

[3] Coudray C, Rambeau M, Feillet-Coudray C, Gueux E, Tressol JC, Mazur A, Rayssiguier Y., Study of magnesium bioavailability from ten organic and inorganic Mg salts in Mg-depleted rats using a stable isotope approach, Magnes Res. 2005 Dec;18(4):215-23.

[4] Firoz M, Graber M., Bioavailability of US commercial magnesium preparations, Magnes Res. 2001 Dec;14(4):257-62.

[5] Lindberg JS, Zobitz MM, Poindexter JR, Pak CY., Magnesium bioavailability from magnesium citrate and magnesium oxide, J Am Coll Nutr. 1990 Feb;9(1):48-55.

[6] Ranade VV, Somberg JC., Bioavailability and pharmacokinetics of magnesium after administration of magnesium salts to humans, Am J Ther. 2001 Sep-Oct;8(5):345-57.

[7] Siener R, Jahnen A, Hesse A., Bioavailability of magnesium from different pharmaceutical formulations., Urol Res. 2011 Apr;39(2):123-7. Epub 2010 Sep 23.

[8] Walker A.F., Marakis G., Christie S., Byng M. , Mg citrate found more bioavailable than other Mg preparations in a randomised, double‐blind study, Magnesium Research. Volume 16, Number 3, 183-91, September 2003.  

Auteur:

Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 24 september 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Magnesium

Expert: 
lucls5261
Als men zich enkel baseert op Amerikaanse aanbevelingen is het gebruik van “orale” preparaten af te raden. Maar dit advies is in België niet van toepassing op het oraal gebruikte testosteron-undecanoaat. Een minder voorspelbare resorptie en de hogere toedienings-frequentie (2 x daags) kan echter wel een reden zijn om orale preparaten hier niet te gebruiken/af te raden.

Het document dat de vraagsteller bedoeld is een Nederlands document van het College voor zorgverzekeringen (CVZ), die de verwisselbaarheid bevestigt tussen een gel een capsule.

Op het eerste gezicht moeten we hier een kamp kiezen en spreken deze twee bronnen elkaar tegen.  Met wat zoekwerk kunnen we toch wat nuance aanbrengen in deze polemiek. Misschien is het advies van de arts wel juist om een ander redenen? Bovendien moeten we ons afvragen of het document uit Nederland vandaag toepasbaar is op deze (Belgische) patiënt? Alvorens een stelling in te nemen, en zich in de loopgraven te begeven, is het best eerst wat kennis te verzamelen.

In vroegere tijden werden testosteron-preparaten “anti-aging” eigenschappen toegeschreven. Oorspronkelijk werden deze producten uitsluitend parenteraal gebruikt. Nadien kwamen er derivaten op de markt die ook oraal actief waren, zoals metyltestosteron of het fluoxymesterone.  Zonder bijwerkingen waren deze anabool-steroïde producten allerminst en ze worden wereldwijd nog slechts beperkt gebruikt in de reguliere geneeskunde. Het zijn o.a. de bijwerkingen t.h.v. de lever, typisch voor de producten gealkyleerd op positie 17, die dergelijke producten in een slecht daglicht gesteld hebben.

In veel landen, maar niet in de US, kwam er later wel een ander oraal werkzaam testosteron-derivaat op de markt: het ester testosteron-undecanoaat, in België onder de naam Testocaps®. Deze producten hebben indicaties zoals o.a. substitutietherapie bij mannelijk hypogonadisme. De resorptie van Testocaps® is echter sterk wisselend.  De hoeveelheid vet in de voeding speelt hierbij een belangrijke rol. Testosteron-undecanoaat ontsnapt voor ongeveer 5% aan de first-pass metabolisatie in de lever door opname via de lymfe in aanwezigheid van vet in de voeding.  Testosteron onder de vorm van een lokaal aan te brengen gel (Testim®) daarentegen heeft dit probleem niet en na twee dagen gebruik bekomen we al een stabiele plasmaspiegel.

Als men zich dus enkel baseert op Amerikaanse aanbevelingen is het gebruik van “orale” preparaten af te raden.  Maar dit advies is niet van toepassing op het hier oraal gebruikte testosteron-undecanoaat.  Een minder voorspelbare resorptie en de hogere toedienings-frequentie (2 x daags) kan echter wel een reden zijn om orale preparaten hier niet te gebruiken/af te raden.

We merken nog twee dingen op in het CVZ rapport.
In het rapport lezen we: “Er zijn voor wat betreft de werkzaamheid en bijwerkingen geen vergelijkende onderzoeken tussen de onder 2.a.1. genoemde geneesmiddelen gepubliceerd.” De verwisselbaarheid is dus op basis van goed overwogen indirecte gegevens en kennis gebaseerd maar niet op basis van rechtstreeks vergelijkend experimenteel onderzoek.
Verder lezen we nog: “Door de snelle overgang van het testosteron vanuit de gel snel naar de huid vindt er na droging van de gel (10-15 minuten) bij huidcontact nauwelijks overdracht van testosteron plaats”. Dit moeten we echter duidelijk corrigeren want, zoals ook in de folia beschreven, zijn er recent wel degelijk gevallen beschreven van viriliserende effecten na overdracht via de huid!
Kijk dus steeds eens na waar en wanneer guidelines of aanbevelingen geschreven zijn, misschien zijn ze al voorbij hun vervaldatum!

Referenties: 

Alle referenties zijn als hyperlinks in de tekst terug te vinden.

Auteur:
 

Prof. dr. Hans De Loof
University of Antwerp - Campus Drie Eiken
Pharmacology
Universiteitsplein 1
B-2610 Antwerpen
 

Datum laatste actualisatie: 2 september 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Testosteron en afgeleiden

Expert: 
loode1400
Het weinige onderzoek dat hierover is gebeurd heeft voor geen enkel van de B-vitaminen kunnen aantonen dat het gebruik ervan muggen kan afstoten.

Het advies om vitamine B te gebruiken om muggen op afstand te houden vinden we vooral in de populaire media. In sommige B-vitamines zit zwavel dat de lichaamsgeur zou veranderen, waardoor we niet meer aantrekkelijk zouden zijn voor muggen. Er is niet veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen vitamine B en muggenbeten, maar het onderzoek dat wél is uitgevoerd, heeft geen verband kunnen aantonen.

Referenties: 

[1] Ives AR, Paskewitz SM et al, Testing vitamin B as a home remedy against mosquitoes, J Am Mosq Control Assoc. 2005 Jun;21(2):213-7.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 19 februari 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Maatregelen tegen muggenbeten

Expert: 
lucls5261
Aspirine heeft normaal gezien geen plek in de preventie van veneuze trombo-embolie (VTE). Als er al nood tot tromboprofylaxe bij deze patiënte zou zijn, zou die zich in de regel beperken tot steunkousen of heparines met laag moleculair gewicht (LMWH).

Factor V Leiden is een afwijkende vorm van een van de eiwitten die de bloedstolling regelen. De term wordt ook wel gebruikt voor de aandoening die hier het gevolg van is. Bij deze aandoening is een puntmutatie opgetreden in het gen voor stollingsfactor V. Bij iemand die heterozygoot is voor factor V Leiden bestaat er een licht verhoogde neiging tot bloedstolling (congenitale trombofilie met laag risico), bij iemand die homozygoot is voor de factor is die neiging vele malen groter (congenitale trombofilie met hoog risico) [1].

De vraagsteller citeert in een toelichting nog het volgende [2]

"Volgens de BSHT (Belgian society for haemostasis and thrombosis) is er bij een patiente zonder diepe veneuze trombose (DVT) maar heterozygoot voor Factor V Leiden (= trombofilie met laag risico) geen nood aan preventieve maatregelen. Indien wel voorgeschiedenis van DVT: heparines met laag moleculair gewicht (LMWH) opstarten. Wat kan dan het nut zijn van Aspirine® in deze case, gezien het mogelijke gevaar tijdens de zwangerschap?"

We legden de vraag voor aan een deskundige van het UZ-Gasthuisberg Leuven, die de volgende repliek bezorgde [3]:

"Ik ga akkoord met het voorstel. De ACCP-richtlijnen (American College of Chest Physicians) stellen dat indien er geen voorgeschiedenis is van (DVT) maar de patiënt wel heterozygoot drager is van factor V Leiden, er geen standaard profylaxe nodig is. Wel is ante/postpartum klinische vigilantie (graad 2C) vereist.

Aspirine® heeft normaal gezien geen plek in de preventie van veneuze trombo-embolie (VTE). Tijdens de zwangerschap kan en mag Aspirine® gebruikt worden in lage dosis indien dwingende indicatie (typevoorbeeld: acuut coronair syndroom (ACS) in de voorgeschiedenis). Net voor de bevalling zou het wellicht best gestopt worden wegens impact op ductus arteriosus (te beslissen op individuele basis).

Als er al nood tot tromboprofylaxe bij deze patiënte zou zijn, zou die zich in de regel beperken tot steunkousen of heparines met laag moleculair gewicht (LMWH).

In deze casus ga ik er dus van uit dat er geen enkel andere dwingende reden tot profylaxe is."

Referenties: 

[1] Wikipedia

[2] Anoniem, Preventie van veneuze trombo-embolie bij zwangere vrouwen, Aanbevelingen van de "Thrombosis Guidelines Group of the Belgian Society on Thrombosis and Haemostasis and the Belgian Working Group on Angiology" , Update 2009

[3] L. Van der Linden, klinische Apotheker in het Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg, persoonlijke communicatie 27 september 2012.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 2 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Acetylsalicylzuur

Expert: 
lucls5261
Inhoud syndiceren