Skip to Content
In de wetenschappelijke literatuur is geen informatie over de combinatie van nasale decongestiva en nasaal toegediende gonadoreline-analogen terug te vinden. Op basis van informatie uit bijsluiters en informatie van de firma, raden we aan het gebruik van nasale decongestiva te vermijden tot 30 minuten na de nasale toediening van busereline.
  1. Wat is Suprefact® neusspray

Suprefact® neusspray bevat busereline, een synthetisch analoog van gonadoreline met agonistische werking. Busereline is geïndiceerd voor ovariële stimulatie als voorbereiding op IVF, waarbij het frequent gecombineerd wordt met humaan menopauzaal gonadotropine (HMG) om een premature LH-piek te vermijden. Ook bij endometriose en uteriene fibromen is busereline geïndiceerd [1, 2].

  1. Wat is gekend over gelijktijdig gebruik van Suprefact® en een nasale vasoconstrictor

De patiëntbijsluiter [2] van de Suprefact® neusspray geeft geen informatie betreffende het gelijktijdig gebruik van nasale decongestiva en Suprefact®. De Nederlandstalige Summary of Product Characteristics (SPC) [3] meldt wel het volgende: “Indien de neusspray volgens voorschrift wordt gebruikt vindt een betrouwbare absorptie van de actieve substantie door het neusslijmvlies plaats. Zelfs als de patiënt verkouden is, wordt Suprefact® neusspray goed opgenomen. Bij verkoudheid dient wel, vóór gebruik van Suprefact® neusspray, de neus krachtig gesnoten te worden”

De Engelstalige SPC [4] maakt daarentegen wel melding van het gelijktijdig gebruik van nasale decongestiva: “If nasal decongestants are being used concurrently, they should be administered at least 30 minutes after buserelin”.

We contacteerden de Belgische afdeling van de verantwoordelijke firma over het verschil tussen beide wetenschappelijke bijsluiters, en vroegen naar een rationale. Zij raadden ons aan 30 minuten te wachten vooraleer nasale decongestiva toe te dienen na het gebruik van Suprefact®, maar gaven hiervoor geen rationale.

In de internationale wetenschappelijke literatuur is geen informatie over de combinatie van nasale decongestiva en gonadoreline-analogen, toegediend via nasale weg, terug te vinden.

  1. Besluit

Hoewel we geen zicht hebben op de achterliggende reden, lijkt het ons aangewezen het advies van de producent op te volgen en dus het gebruik van nasale decongestiva te vermijden tot 30 minuten na de nasale toediening van busereline.

Referenties: 

[1] BCFI via www.bcfi.be, geraadpleegd op 12/10/2012
[2] Patiëntbijsluiter Suprefact® neusspray, via www.bcfi.be, geraadpleegd op 12/10/2012
[3] Wetenschappelijke bijsluiter Suprefact® neusspray, via www.bcfi.be, geraadpleegd op 12/10/2012
[4] Wetenschappelijke bijsluiter Suprefact® neusspray – Engelstalig, via http://www.medicines.org.uk/emc/medicine/12377/SPC, geraadpleegd op 12/10/2012

Auteur:
Apr. Eline Tommelein
Prof. Dr. Apr. Koen Boussery

Eenheid voor Farmaceutische Zorg
Faculteit Farmaceutische Wetenschappen
Universiteit Gent

Datum laatste actualisatie: 12 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Gonadorelines

Expert: 
koeby2662
Oestradiolbenzoaat is op een andere hydroxylgroepveresterd dan oestradiolvaleraat. Bovendien is er veresterd met een ander zuur. Op die manier wordt het erg moeilijk om een voorspelling te doen.

Oestradiol valeraat of valerianaat is een ester van oestradiol op de hydroxylgroep gepositioneerd op koolstof nr 17.  Oestradiol benzoaat echter is veresterd op een andere hydroxylgroep namelijk op positie  3.  Bovendien is er veresterd met een ander zuur.  Op die manier wordt het erg moeilijk om een voorspelling te doen.  Zijn de esterases, ook aanwezig in de huid, even efficiënt  op deze twee plaatsen en met een verschillend vetzuur?  Hoe snel is de resorptie van deze twee producten?  Deze vaststelling, samen met het gebrek aan vergelijkende gegevens uit de literatuur (en we hebben hard gezocht) zorgen ervoor dat we geen gefundeerde uitspraak kunnen doen over de uitwisselbaarheid van deze twee producten in deze situatie.

We noteren hierbij nog dat de terminologie  “dystrofie van vaginale slijmvliezen” een verzamelnaam is voor een aantal verschillende ziektebeelden met hun eigen aanpak.  Ook over het lokaal gebruik van het antibioticum cefalexine in een gynaecologische context vonden we geen enkele referentie terug in de medische literatuur en ook hier hebben we hard gezocht.

Referenties: 

Alle referenties zijn als hyperlinks in de tekst terug te vinden.

Auteur:
 

Hans De Loof
University of Antwerp - Campus Drie Eiken
Pharmacology
Universiteitsplein 1
B-2610 Antwerpen
 

Datum laatste actualisatie: 15 december 2012

Expert: 
loode1400
Deze uitspraak is niet juist. Het lijdt evenwel geen twijfel dat magnesiumoxide de slechtst resorbeerbare vorm van magnesium is. De absorptiegraad bedraagt vermoedelijk nagenoeg slechts 4%. Het klopt ook dat er diverse wateroplosbare, beter resorbeerbare vormen van magnesium beschikbaar zijn, zoals ondermeer magnesiumaspartaat, -chloride, -lactaat, -citraat, -gluconaat en -glycinaat. Het glycinaat verdient daarin geen speciale ereplaats. Het gemiddelde absorptiepercentage van deze zouten zou liggen in de orde van 30%. Een eenduidige consensustabel vonden we echter niet. Naast de genoemde zouten zijn magnesiumhydroxide en zelfs magnesiumoxide, zo mogelijk in bruistabletten, een waardig alternatief.

Studies

We overlopen het feitenmateriaal dat hierover in de literatuur bereikbaar is.

Een studie uit 1990 vergeleek magnesumoxide met magnesiumcitraat.  In vitro werd aangetoond dat de oplosbaarheid van magnesiumoxide in  diverse gesimuleerde maagzuuromgevingen (0 - 24.2 mEq HCl/ 300 ml H2O) bij de piekzuurconcentratie tot maximaal 43% steeg, terwijl aspartaat in alle omstandigheden, ook in neutraal milieu, voor 55% oploste.  Er had geen reprecipitatie plaats wanneer de heldere filtraten vervolgens op pH 6-7 gebracht werden, om de meer alkalische pH van het duodenum te simuleren. In vivo bevindingen lagen in dezelfde lijn en wezen op een betere biologische beschikbaarheid van magnesiumcitraat. Tijdens de eerste 4 uur na toediening van 25 mmol magnesiumcitraat werd 0.22 mg Mg/mg creatinine in de urine teruggevonden  tegenover slechts 0.006 mg Mg/mg creatinine na magnesiumoxide (p<0.05).  De daaropvolgende 2 uur werden  resp. 0.035 versus 0.008 mg Mg/mg creatinine  (p<0.05) gemeten [Lindberg, 1990].

Een andere studie vergeleek bij 18 gezonde vrouwelijke studenten van ofwel een combinatiepreparaat van magnesiumlactaat + magnesiumcitraat, of  een combinatiepreparaat van magnesiumlactaat + magnesiumcitraat + magnesiumhydroxide, of een monopreparaat met magnesiumhydroxide, of een monopreparaat met magnesiumchloride.  De onderlinge verschillen in urinaire magnesiumexcretie waren na toediening niet significant, terwijl ze wel significant verhoogden ten opzichte van de basislijn  van vóór de toediening [Bøhmer, 1990]. De slechte beschikbaarheid zou volgens deze studie dus niet gelden voor magnesiumhydroxide. Magnesiumoxide kwam in deze studie niet voor.

Tijdens nog één andere studie  kregen normale vrijwilligers 21mEq/dag Mg toegediend in 4 verschillende  vormen: magnesiumoxide, magnesiumchloride, magnesiumlactaat en magnesiumaspartaat. Van magnesiumoxide werd de graad van absorptie geschat op slechts 4 %, terwijl de andere zouten tenminste 4 maal hoger scoorden [Firoz, 2001].

Een  studie van Walker van 2003 bij 46 personen, verdeeld in 5 groepen, bevestigt dat zowel bij dagsupplementatie als bij chronisch gebruik gedurende 60 dagen magnesiumcitraat en magnesiumglycinaat superieur zijn aan MgO en placebo. Dit blijkt duidelijk uit de 24u urinaire excretie. Ook de plasma-,  erythrocyten- en speekselconcentraties werden in deze studie gevolgd. Daaruit bleek dat enkel met magnesiumcitraat significante stijgingen in de plasma- en  speekselconcentraties werden gemeten. Dit resultaat wordt uitgelegd als zou magnesium sneller vrijgemaakt worden uit het citraat dan uit het magnesiumglycinaat. De auteurs suggereren verdere studies om de resultaten te bevestigen [Walker, 2003].

Jaren vroeger werd eraan getwijfeld of de meting van plasmaspiegels zin heeft, omdat het aangevoerde Mg zeer snel uit het bloed verdwijnt door distributie in de weefsels (99% van lichaams Mg). Behalve de bepaling van de urinaire excretie wordt de toediening van een stabiele isotoop, in casu 26Mg,  gevolgd door het bepalen van isotoopratio's (26Mg/24Mg ) als een zinvolle aanpak beschouwd [Benech, 1995].

Middels een studie op 80 mannelijke Wistar-ratten van 6 weken oud, werden met behulp van stabiele isotoop van Mg (26Mg) de opnames vergeleken van magnesiumoxide, -chloride, -sulfaat, -carbonaat, -acetaat, -pyroglutamaat (-pidolaat), -citraat, -gluconaat, -lactaat en -aspartaat. Na een Mg-depletieperiode van 3 weken werden de ratten 2 weken lang gevoed  met eenzelfde dieet aangerijkt met 550 mg Mg/kg. Op dag 10 werd daaraan 1.8 mg met 26Mg verrijkt product toegevoegd en werden 4 dagen lang de isotoopratios gevolgd in faeces en urine. De absorptiewaarden varieerden van 50 - 67%. Magnesiumgluconaat scoorde het hoogste van de 10 bestudeerde zouten.  De organische zouten scoorden iets beter dan de anorganische zouten. De magnesiumabsorptie werd ruim voldoende bevonden voor alle onderzochte producten. Magnesiumoxide komt jammer genoeg in dit verhaal echter niet voor [Coudray, 2005].

Tenslotte is er ook nog de mogelijkheid om magnesiumoxide aan te bieden onder vorm van bruistabletten. Dertien mannelijke vrijwilligers tussen 22-31 jaar kregen 450 mg magnesium toegediend in twee magnesiumoxide-formuleringen, met name magnesiumoxide in capsulen en magnesiumoxide in bruistablet.  Een cross-over protocol werd toegepast om de interindividuele verschillen te neutraliseren. De proefpersonen gebruikten een gestandaardiseerd dieet tijdens de studie.  De urinaire excretie steeg met 40% na gebruik van de bruistabletten en met 20% na gebruik van de gewone capsulen [Siener, 2010].

Waarom dan toch magnesiumoxide?

Magnesiumoxide is, met een magnesiumgehalte van 60%, de meest compacte en goedkope  vorm van Mg.  Zonder excessief hoge dosissen te moeten hanteren, kan toch vrij veel magnesium worden toegediend, wat gedeeltelijk compenseert voor de lage resorbeerbaarheid. De waarheid is dus genuanceerder dan reclamejongens en andere pseudo-wetenschappelijke waarzeggers willen doen geloven. Dat andere vormen van magnesium een veel betere biologische beschikbaarheid hebben, daarover is iedereen het eens, maar dat het glycine-complex de enige bruikbare vorm zou zijn,  is manifest onwaar. Een consensus over de exacte cijfers werd echter niet gevonden.

 

% Mg

magnesiumoxide

60%

magnesiumhydroxide

42%

magnesiumcarbonaat

29%

magnesiumcitraat

16%

magnesiumlactaat

12%

magnesiumchloride

12%

magnesiumsulfaat

10%

Referenties: 

[1] Benech H, Grognet JM., Recent data on the evaluation of magnesium bioavailability in humans, Magnes Res. 1995 Sep;8(3):277-84.

[2] Bøhmer T, Røseth A, Holm H, Weberg-Teigen S, Wahl L., Bioavailability of oral magnesium supplementation in female students evaluated from elimination of magnesium in 24-hour urine, Magnes Trace Elem. 1990;9(5):272-8.

[3] Coudray C, Rambeau M, Feillet-Coudray C, Gueux E, Tressol JC, Mazur A, Rayssiguier Y., Study of magnesium bioavailability from ten organic and inorganic Mg salts in Mg-depleted rats using a stable isotope approach, Magnes Res. 2005 Dec;18(4):215-23.

[4] Firoz M, Graber M., Bioavailability of US commercial magnesium preparations, Magnes Res. 2001 Dec;14(4):257-62.

[5] Lindberg JS, Zobitz MM, Poindexter JR, Pak CY., Magnesium bioavailability from magnesium citrate and magnesium oxide, J Am Coll Nutr. 1990 Feb;9(1):48-55.

[6] Ranade VV, Somberg JC., Bioavailability and pharmacokinetics of magnesium after administration of magnesium salts to humans, Am J Ther. 2001 Sep-Oct;8(5):345-57.

[7] Siener R, Jahnen A, Hesse A., Bioavailability of magnesium from different pharmaceutical formulations., Urol Res. 2011 Apr;39(2):123-7. Epub 2010 Sep 23.

[8] Walker A.F., Marakis G., Christie S., Byng M. , Mg citrate found more bioavailable than other Mg preparations in a randomised, double‐blind study, Magnesium Research. Volume 16, Number 3, 183-91, September 2003.  

Auteur:

Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 24 september 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Magnesium

Expert: 
lucls5261
Als men zich enkel baseert op Amerikaanse aanbevelingen is het gebruik van “orale” preparaten af te raden. Maar dit advies is in België niet van toepassing op het oraal gebruikte testosteron-undecanoaat. Een minder voorspelbare resorptie en de hogere toedienings-frequentie (2 x daags) kan echter wel een reden zijn om orale preparaten hier niet te gebruiken/af te raden.

Het document dat de vraagsteller bedoeld is een Nederlands document van het College voor zorgverzekeringen (CVZ), die de verwisselbaarheid bevestigt tussen een gel een capsule.

Op het eerste gezicht moeten we hier een kamp kiezen en spreken deze twee bronnen elkaar tegen.  Met wat zoekwerk kunnen we toch wat nuance aanbrengen in deze polemiek. Misschien is het advies van de arts wel juist om een ander redenen? Bovendien moeten we ons afvragen of het document uit Nederland vandaag toepasbaar is op deze (Belgische) patiënt? Alvorens een stelling in te nemen, en zich in de loopgraven te begeven, is het best eerst wat kennis te verzamelen.

In vroegere tijden werden testosteron-preparaten “anti-aging” eigenschappen toegeschreven. Oorspronkelijk werden deze producten uitsluitend parenteraal gebruikt. Nadien kwamen er derivaten op de markt die ook oraal actief waren, zoals metyltestosteron of het fluoxymesterone.  Zonder bijwerkingen waren deze anabool-steroïde producten allerminst en ze worden wereldwijd nog slechts beperkt gebruikt in de reguliere geneeskunde. Het zijn o.a. de bijwerkingen t.h.v. de lever, typisch voor de producten gealkyleerd op positie 17, die dergelijke producten in een slecht daglicht gesteld hebben.

In veel landen, maar niet in de US, kwam er later wel een ander oraal werkzaam testosteron-derivaat op de markt: het ester testosteron-undecanoaat, in België onder de naam Testocaps®. Deze producten hebben indicaties zoals o.a. substitutietherapie bij mannelijk hypogonadisme. De resorptie van Testocaps® is echter sterk wisselend.  De hoeveelheid vet in de voeding speelt hierbij een belangrijke rol. Testosteron-undecanoaat ontsnapt voor ongeveer 5% aan de first-pass metabolisatie in de lever door opname via de lymfe in aanwezigheid van vet in de voeding.  Testosteron onder de vorm van een lokaal aan te brengen gel (Testim®) daarentegen heeft dit probleem niet en na twee dagen gebruik bekomen we al een stabiele plasmaspiegel.

Als men zich dus enkel baseert op Amerikaanse aanbevelingen is het gebruik van “orale” preparaten af te raden.  Maar dit advies is niet van toepassing op het hier oraal gebruikte testosteron-undecanoaat.  Een minder voorspelbare resorptie en de hogere toedienings-frequentie (2 x daags) kan echter wel een reden zijn om orale preparaten hier niet te gebruiken/af te raden.

We merken nog twee dingen op in het CVZ rapport.
In het rapport lezen we: “Er zijn voor wat betreft de werkzaamheid en bijwerkingen geen vergelijkende onderzoeken tussen de onder 2.a.1. genoemde geneesmiddelen gepubliceerd.” De verwisselbaarheid is dus op basis van goed overwogen indirecte gegevens en kennis gebaseerd maar niet op basis van rechtstreeks vergelijkend experimenteel onderzoek.
Verder lezen we nog: “Door de snelle overgang van het testosteron vanuit de gel snel naar de huid vindt er na droging van de gel (10-15 minuten) bij huidcontact nauwelijks overdracht van testosteron plaats”. Dit moeten we echter duidelijk corrigeren want, zoals ook in de folia beschreven, zijn er recent wel degelijk gevallen beschreven van viriliserende effecten na overdracht via de huid!
Kijk dus steeds eens na waar en wanneer guidelines of aanbevelingen geschreven zijn, misschien zijn ze al voorbij hun vervaldatum!

Referenties: 

Alle referenties zijn als hyperlinks in de tekst terug te vinden.

Auteur:
 

Prof. dr. Hans De Loof
University of Antwerp - Campus Drie Eiken
Pharmacology
Universiteitsplein 1
B-2610 Antwerpen
 

Datum laatste actualisatie: 2 september 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Testosteron en afgeleiden

Expert: 
loode1400
Het weinige onderzoek dat hierover is gebeurd heeft voor geen enkel van de B-vitaminen kunnen aantonen dat het gebruik ervan muggen kan afstoten.

Het advies om vitamine B te gebruiken om muggen op afstand te houden vinden we vooral in de populaire media. In sommige B-vitamines zit zwavel dat de lichaamsgeur zou veranderen, waardoor we niet meer aantrekkelijk zouden zijn voor muggen. Er is niet veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen vitamine B en muggenbeten, maar het onderzoek dat wél is uitgevoerd, heeft geen verband kunnen aantonen.

Referenties: 

[1] Ives AR, Paskewitz SM et al, Testing vitamin B as a home remedy against mosquitoes, J Am Mosq Control Assoc. 2005 Jun;21(2):213-7.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 19 februari 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Maatregelen tegen muggenbeten

Expert: 
lucls5261
Aspirine heeft normaal gezien geen plek in de preventie van veneuze trombo-embolie (VTE). Als er al nood tot tromboprofylaxe bij deze patiënte zou zijn, zou die zich in de regel beperken tot steunkousen of heparines met laag moleculair gewicht (LMWH).

Factor V Leiden is een afwijkende vorm van een van de eiwitten die de bloedstolling regelen. De term wordt ook wel gebruikt voor de aandoening die hier het gevolg van is. Bij deze aandoening is een puntmutatie opgetreden in het gen voor stollingsfactor V. Bij iemand die heterozygoot is voor factor V Leiden bestaat er een licht verhoogde neiging tot bloedstolling (congenitale trombofilie met laag risico), bij iemand die homozygoot is voor de factor is die neiging vele malen groter (congenitale trombofilie met hoog risico) [1].

De vraagsteller citeert in een toelichting nog het volgende [2]

"Volgens de BSHT (Belgian society for haemostasis and thrombosis) is er bij een patiente zonder diepe veneuze trombose (DVT) maar heterozygoot voor Factor V Leiden (= trombofilie met laag risico) geen nood aan preventieve maatregelen. Indien wel voorgeschiedenis van DVT: heparines met laag moleculair gewicht (LMWH) opstarten. Wat kan dan het nut zijn van Aspirine® in deze case, gezien het mogelijke gevaar tijdens de zwangerschap?"

We legden de vraag voor aan een deskundige van het UZ-Gasthuisberg Leuven, die de volgende repliek bezorgde [3]:

"Ik ga akkoord met het voorstel. De ACCP-richtlijnen (American College of Chest Physicians) stellen dat indien er geen voorgeschiedenis is van (DVT) maar de patiënt wel heterozygoot drager is van factor V Leiden, er geen standaard profylaxe nodig is. Wel is ante/postpartum klinische vigilantie (graad 2C) vereist.

Aspirine® heeft normaal gezien geen plek in de preventie van veneuze trombo-embolie (VTE). Tijdens de zwangerschap kan en mag Aspirine® gebruikt worden in lage dosis indien dwingende indicatie (typevoorbeeld: acuut coronair syndroom (ACS) in de voorgeschiedenis). Net voor de bevalling zou het wellicht best gestopt worden wegens impact op ductus arteriosus (te beslissen op individuele basis).

Als er al nood tot tromboprofylaxe bij deze patiënte zou zijn, zou die zich in de regel beperken tot steunkousen of heparines met laag moleculair gewicht (LMWH).

In deze casus ga ik er dus van uit dat er geen enkel andere dwingende reden tot profylaxe is."

Referenties: 

[1] Wikipedia

[2] Anoniem, Preventie van veneuze trombo-embolie bij zwangere vrouwen, Aanbevelingen van de "Thrombosis Guidelines Group of the Belgian Society on Thrombosis and Haemostasis and the Belgian Working Group on Angiology" , Update 2009

[3] L. Van der Linden, klinische Apotheker in het Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg, persoonlijke communicatie 27 september 2012.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 2 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Acetylsalicylzuur

Expert: 
lucls5261
De werkzaamheid van goede Hypericum-preparaten bij depressie werd reeds door meerdere klinische studies aangetoond. Wat betreft het gebruik van tryptofaan in deze context zijn de klinische gegevens eerder tegenstrijdig. Indien via de voeding voldoende tryptofaan-aanvoer wordt verzekerd valt er weinig heil te verwachten van bijkomende suppletie.

De werkzaamheid van goede Hypericum-preparaten bij depressie werd reeds door meerdere klinische studies aangetoond en kan als effectief worden beschouwd. Hierbij functioneren deze preparaten vnl. als SSRI's.
Het gebruik van tryptofaan steunt op de omzetting ervan via 5-hydroxytryptofaan naar serotonine. Die zou de verlaagde serotonine-activiteit moeten corrigeren die dikwijls wordt geassocieerd met depressies.

Wat betreft het gebruik van tryptofaan in deze context zijn de klinische gegevens veel minder eenduidig dan voor Hypericum en eerder tegenstrijdig. Daarnaast kan je je de vraag stellen wat het nut is van bijkomende suppletie bij inname van een normale dagelijkse voeding. Indien via deze laatste voldoende tryptofaan-aanvoer wordt verzekerd valt er weinig heil te verwachten van bijkomende suppletie. Bovendien zal, zoals hierboven gezegd het St. janskruid preparaat reeds rechtstreeks op de verminderde serotonine activiteit inwerken.

Referenties: 

[1] Farmamozaiek, De serotonineprecursoren: tryptofaan en 5-hydroxytryptofaan

Auteur:
 

Prof. Dr. K. Demeyer
VUB - FAFY
Laarbeeklaan 103,
B-1090 Jette.

Datum laatste actualisatie: 25 februari 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): De serotonineprecursoren: tryptofaan en 5-hydroxytryptofaan

Expert: 
expert
Preventie door bescherming tegen zonlicht en aandacht voor de triggers volstaan meestal om zonneallergie in te perken. Orale antihistaminica, corticoïdencrèmes , fototherapie al dan niet in combinatie met psoralenen, antimalariamiddelen en bètacaroteen vormen het gangbaar behandelingsarsenaal. Over het nut van nicotinamide valt nagenoeg niets te lezen. Een enkele gunstige studie van jaren geleden wordt door een andere uit dezelfde tijd tegengesproken. Een recente persoonlijke getuigenis op een internetforum is het zeldzame motief om het misschien toch eens proberen aan een aanvangsdosis van 1g/dag of meer.

Zonneallergie is een immuunrespons op zonlicht. Lichaamseigen bestanddelen in dehuid, die onder invloed van de zon een chemische omzetting ondergaan, zouden als gevolg daarvan plots als lichaamsvreemd worden aanzien en de afweer op gang brengen.  De symptomen verschijnen binnen 20 minuten tot enkele uren na het begin van de blootstelling.  Een jeukende, rode huiduitslag verschijnt op plaatsen, die aan zonlicht werden blootgesteld, de halsstreek vooraan,  de handruggen,  op onderarmen en onderbenen. In meer ernstige gevallen kunnen ook de bedekte huiddelen aangetast worden of is er sprake van netelroos en blaarvorming.

Polymorfe lichteruptie  is de meest verspreide vorm van zonneallergie, maar er bestaan ook andere verwante aandoeningen.  Ook medicatie of huidcontact met planten kunnen de oorzaak zijn. Sommige vormen zijn wellicht erfelijk.

Preventie van symptomen bestaat erin de huid te beschermen door de blootstelling aan zonlicht te beperken, afdekkende kledij te dragen, zonnecrèmes met hoge beschermingsfactor aan te brengen en aandacht te hebben voor de triggers. Soms kunnen deze maatregelen al  volstaan. Bijkomend kan een koelend effect de jeuk doen afnemen door gebruik van koude compressen of een verstuiving van zuiver water op de aangetaste huid.

Orale antihistaminica  en corticoïdencrèmes zijn een volgende stap. Nog een stap verder gaat de  desensibilisatie met fototherapie, eventueel in combinatie met psoralenen (PUVA). Tenslotte horen ook  antimalariamiddelen (hydroxychloroquine) en bètacaroteen tot het mogelijk behandelingsarsenaal, mochten de andere niet volstaan.

Over het algemeen evolueert een zonneallergie gunstig, voornamelijk door de preventieve maatregelen, zeker als de oorzakelijke factor goed is geïdentificeerd en kan worden gemeden.

Over het nut van nicotinamide valt nagenoeg niets te vinden. We moeten terug tot 1986 om een pilootstudie te vinden, waarbij 42 patiënten met polymorfe lichteruptie gedurende 2 weken dagelijks 3g nicotinamide kregen. 25 patiënten (60%) hadden geen symptomen meer, ondanks bewuste blootstelling aan zonlicht. Een studie, 2 jaar later, op 14 patiënten kon dit echter niet bevestigen. Een recent persoonlijk verhaal kunnen we lezen op dit forum van de Universiteit Gent. Daaruit blijkt een persoon zeer goed geholpen te zijn met af en toe een dosis nicotinamide. In de discussie met een ander persooon die blijkbaar geen baat ondervindt, adviseert hij voldoende hoge doses te gebruiken, tot 1 gram per dag (10 tabletten Ucemine PP). Qua bewijskracht stelt dit niets voor, maar zelfs al wordt er maar één persoon geholpen, het blijft een poging waard.

Referenties: 

[1] http://www.mayoclinic.com/health/sun-allergy/DS01178

[2] http://www.intelihealth.com/IH/ihtIH/WSIHW000/9339/25934.html

[3] http://www.patient.co.uk/health/Polymorphic-Light-Eruption.htm

[4] Neumann R, Rappold E, Pohl-Markl H. Treatment of polymorphous light eruption with nicotinamide: a pilot study. Br J Dermatol. Jul 1986;115(1):77-80.

[5] Ortel B, Wechdorn D, Tanew A, Hönigsmann H., Effect of nicotinamide on the phototest reaction in polymorphous light eruption., Br J Dermatol. 1988 May;118(5):669-73.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 21 januari 2013

Expert: 
lucls5261
Meer dan waarschijnlijk is dit preparaat bedoeld voor de behandeling van vulvodynie. In één studie werden 51 vrouwen met vulvodynie behandeld met gabapentine crème. 35 vrouwen bleken een significante pijnverlichting te hebben ervaren. 28 vrouwen ondervonden meer dan 50% pijnreductie.

Meer dan waarschijnlijk is dit preparaat bedoeld voor de behandeling van vulvodynie.

Vulvodynie is een weinig bekend, maar bijzonder vervelend chronische pijnsyndroom dat vooral vrouwen tussen 20 en 40 jaar oud treft. Het is een verzamelbegrip gekenmerkt door jeuk, een branderig gevoel, roodheid, pijn of irritatie in en rond de vagina, de schaamlippen en de clitoris. Van vulvodynie wordt gesproken als er geen directe andere oorzaak (o.a.. infectie, ontsteking ..) gevonden wordt. Sommige patiënten hebben er alleen last van tijdens het vrijen, bij andere patiënten is de pijn zo hevig dat de kleinste aanraking al voor irritatie of pijnscheuten kan zorgen. Het welbevinden is soms ernstig verminderd [1].

Een eerste keuzebehandeling tegen vulvodynie bestaat niet. Naast lokale crèmes tegen huidirritatie en bekkenbodemoefeningen worden antidepressiva met wisselend succes ingezet om de pijnsymptomen te verminderen. De anti-epileptica gabapentine or pregabaline worden daarbij ingezet in een ondersteunende rol. Een chirurgische ingreep waarbij de vagina wordt vergroot en/of de geïrriteerde huid wordt weggesneden geldt als uiterste redmiddel.

De rol van tricyclische antidepressiva en anti-epileptica bij de behandeling van chronische zenuwpijnen staat vast. [2]. Vandaar komt wellicht de inspiratie om dit middel ook uit te proberen bij de behandeling van vulvodynie.

Oraal gabapentine is werkzaam gebleken om pijnsymptomen te verminderen bij patiënten, die lijden aan gegeneraliseerde vulvodynie [3]. Bij 64% van 152 geïncludeerde patiënten verdwenen tenminste 80% van de pijnsymptomen tijdens de studieperiode. Bij 32% was de behandeling onvoldoende werkzaam.

In één studie werden 51 vrouwen met vulvodynie behandeld met 2%, 4% of 6% gabapentine crème [4]. Ze werden geinstrueerd om 3 maal per dag 0,5 ml (ter grootte van een erwt) in de vagina te smeren. Na 8 weken werd de pijn geevalueerd op een pijnscore en bleken 35 vrouwen een significante pijnverlichting te hebben ervaren. 28 vrouwen ondervonden meer dan 50% pijnreductie.
 

De globale ervaring is bijgevolg beperkt. De lokale behandeling met gabapentine is evenwel (nog?) geen standaardbehandeling [5,6], die deel uitmaakt van vaste behandelingsrichtlijnen.

Referenties: 

[1] Info over vulvodynie: http://www.huidinformatie.be/vulvodynie.html

[2] Leyssens L., Qbox-vraag 221: Bestaat er een therapie 'ladder' voor de behandeling van neuropathische pijn die artsen kunnen volgen? , december 2011.

[3] Harris G, Horowitz B, Borgida A., Evaluation of gabapentin in the treatment of generalized vulvodynia, unprovoked., J Reprod Med. 2007 Feb;52(2):103-6.

[4] Boardman LA, Cooper AS, Blais LR, Raker CA., Topical gabapentin in the treatment of localized and generalized vulvodynia, Obstet Gynecol. 2008 Sep;112(3):579-85.

[5] Laurie Barclay, MD, Guidelines for Management of Vulvodynia Issued, Medscape Pharmacists Education august 2011.

[6] Nunns D, Mandal D, Byrne M, McLelland J, Rani R, Cullimore J, Bansal D, Brackenbury F, Kirtschig G, Wier M; British Society for the Study of Vulval Disease, Guidelines for the management of vulvodynia, Br J Dermatol. 2010 Jun;162(6):1180-5.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 28 augustus 2012

Expert: 
lucls5261
Ter preventie of bij milde luierdermatitis, volstaat het gebruik van degelijk absorberende wegwerpluiers in combinatie met Zn-oxide bevattende crème of pasta. Over het gebruik van water als reinigingsmiddel bestaat discussie. Zachte, met emulgerende lotion geïmpregneerde reinigingsdoekjes zouden volgens voorstanders de voorkeur wegdragen omdat ze vetachtige bestanddelen uit de stoelgang beter zouden verwijderen. Benadruk in ieder geval de noodzaak om klassieke zepen te mijden. Wanneer de luieruitslag matig tot ernstig is, reeds meer dan 3 dagen aanhoudt of de baby een antibioticum krijgt toegediend, dan is het verstandig te kiezen voor een antifungaal middel. Bij aanhoudende of ernstige dermatitis is het zeker aangewezen de patiënt door te verwijzen naar arts/pediater.

Luieruitslag of luierdermatitis houdt heel wat diverse pathologieën in. Het spreekt dan ook voor zich dat de behandeling afhankelijk zal zijn van de ernst van de dermatitis, alsook van de oorzaak ervan.
De meest voorkomende, primaire vorm van luierdermatitis is de klassieke niet-allergische en niet-infectieuze dermatitis, die vooral wordt veroorzaakt door een te lange blootstelling aan vocht, wrijving, urine- en stoelgangsbestanddelen (o.a. proteasen en lipasen). Dit alles brengt de barrièrefunctie van het stratum corneum van de huid in het gedrang, waardoor de huid makkelijker vatbaar is voor irritatie en indringing van chemicaliën en/of pathogenen.
Zeker Candida species, vooral (maar niet uitsluitend) Candida albicans, worden vaak aangetroffen in geval van luierdermatitis.

Uiteraard is het niet evident na te gaan of het werkelijk om een Candida-infectie gaat. Er is wellicht sprake van een Candida-infectie bij aanwezigheid van scherp begrensd erytheem (roodheid van de huid) met satellietvormige pustels en schilfervorming. In bepaalde studies en richtlijnen vinden we terug dat men mag uitgaan van een Candida-infectie wanneer de dermatitis 72 uur of langer aanhoudt. Zeker in geval van matige tot ernstige luierdermatitis doet men er goed aan een Candida-behandeling op te starten.
Ook het gebruik van antibiotica bij zuigelingen verhoogt de kans op een Candidakolonisatie. Dit werd in onderzoek vooral aangetoond na amoxicillinegebruik, maar wellicht geldt dit voor elk breedspectrum antibioticum.

 

Alle richtlijnen en reviews komen tot gelijkaardige behandelingsstappen:

In concreto:

In eerste instantie, ter preventie of bij milde luierdermatitis, volstaat het om de cliënt aan te raden gebruik te maken van degelijk absorberende wegwerpluiers in combinatie met Zn-oxide bevattende crème of pasta.

Over het gebruik van water als reinigingsmiddel bestaat discussie. Sommigen raden vooral reiniging met water aan om extra irritatie door zepen of parfums te vermijden, anderen onderstrepen dan weer het belang van zachte, met emulgerende lotion geïmpregneerde reinigingsdoekjes, aangezien water alleen niet in staat is om vetachtige bestanddelen uit de stoelgang voldoende te verwijderen. Goede reinigingsdoekjes bevatten daarenboven vaak verzachtende en helende bestanddelen zoals kamille, aloë of panthenol. Onderstreep in je advies het belang van de juiste doekjes om extra irritatie te vermijden en tracht je cliënt te overtuigen ze in de apotheek aan te schaffen om kwaliteit te garanderen. Benadruk in ieder geval de noodzaak om klassieke zepen te mijden.

Wanneer de luieruitslag matig tot ernstig is, reeds meer dan 3 dagen aanhoudt of de baby een antibioticum krijgt toegediend, dan is het verstandig te kiezen voor een antifungaal middel. Daktozin® biedt hierbij het voordeel dat miconazole toegevoegd is aan een zinkpasta. De effectiviteit en veiligheid van miconazole werd duidelijk aangetoond. Systemische absorptie blijkt minimaal, ook bij gebruik gedurende meerdere dagen. Hiermee rekening houdende is er niet echt iets op tegen om tijdens antibioticagebruik desnoods preventief te kiezen voor Daktozin®.

Eosine 2% zou effectief zijn omwille van het opdrogend effect. Echter, niet elke richtlijn neemt dit product mee op in het advies. Eosine kleurt daarenboven de letsels, waardoor een interpretatie van de kleur en ernst wordt bemoeilijkt, met gevaar voor het niet tijdig inschatten van impetigo.

Topische vormen van vitamine A worden in adviezen niet opgenomen. Elke review besluit dat er te weinig evidentie pro of contra is om lokaal vitamine A te weerhouden in de  behandeling of preventie van luierdermatitis.

Bij aanhoudende of ernstige dermatitis is het zeker aangewezen de patiënt door te verwijzen naar arts/pediater. Luierdermatitis kan evengoed van secundaire aard zijn en een teken zijn van een onderliggende aandoening (vb. herpes, psoriasis, HIV infectie, biotine-tekort, ziekte van Kawasaki….).
Wees zeker ook beducht op impetigo-infecties door Staphylococcus aureus, wat frequenter zou optreden gedurende de eerste 6 levensmaanden en tijdens de lente en zomer. Bij een vermoeden is doorverwijzing absoluut noodzakelijk.
Laat de keuze van een antibioticum- of cortisonebevattende zalf over aan de arts! Het gaat per slot van rekening over zeer jonge kinderen.

Referenties: 
  • Adam R. Skin care of the diaper area. Pediatric Dermatology 2008; 25 (4): 427-433.
  • Anonymus, Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium 2012; www.bcfi.be
  • Anonymus, Productinformatie – FAGG website
  • Baer EL, Davies MW & Easterbrook KJ. Dsposable nappies for preventing napkin dermatitis in infants. Cochrane Database Syst Rev 2006; 19 (3): CD004262.
  • Concannon P. et al. Diaper dermatitis: a therapeutic dilemma. Results of a double-blind placebo controlled trial of miconazole nitrate 0,25% Pediatric Dermatology 2000; 18 (2): 149-155.
  • Davies MW, Dore AJ & Perissinotto KL. Topical Vitamin A, or its derivates, for rating and preventing napkin dermatitis in infants. Cochrane Database Syst Ev 2005; 19 (4): CD004300
  • Draijer LW & Folmer H. NHG-standaard luierdermatitis.
  • Eichenfield LF & Bogen ML. Absorption and efficacy of miconazole nitrate 0,25% ointment in infants with diaper dermatitis. J Drugs Dermatol 2007, 6 (5): 522-526.
  • Ravanfar P, Wallace JS & Pace NC. Diaper dermatitis: a review and update. Curr Opinion Pediatr 2012; 24 (4): 472-9.
  • Scheinfeld N. Diaper dermatitis. A review and brief survey of eruptions of the diaper area. Am J Clin Dermatol 2005; 6 (5): 273-281.
  • Spraker MK et al. Topical miconazole nitrate ointment in the treatment of diaper dermatitis complicated by candidiasis. Cutis 2006; 77 (2): 113-20.

 

Auteur:
 

Lies Leemans

Datum laatste actualisatie: 11 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Luiereczeem

Expert: 
liels4316
Inhoud syndiceren