Glycosaminoglycanen
Glycosaminoglycanen (mucopolysacchariden) bestaan uit zich herhalende, aaneengeschakelde disaccharide-eenheden, waarvan één saccharide-eenheid een aminosuiker is, hetzij glucosamine hetzij galactosamine. Tenminste een van beide disaccharide-eenheden draagt een negatief geladen carboxyl- of sulfaatgroep. De belangrijkste glycosaminoglycanen zijn chondroïtine, keratansulfaat, heparine, heparansulfaat, dermatansulfaat en hyaluronzuur.
Glycosaminoglycanen zijn in het lichaam gewoonlijk gebonden aan proteïnen. Hierdoor ontstaan proteoglycanen, die nog voor 95% uit polysacchariden bestaan. Dat verklaart waarom proteoglycanen zich eerder als koolhydraat gedragen en minder als proteïne. Proteoglycanen functioneren in het lichaam als smeermiddelen, als structurele componenten van bindweefsel, als adhesiemediatoren tussen cellen en de extracellulaire matrix of ze binden factoren die celgroei bevorderen.
Heparansulfaat is een onderdeel van diverse proteoglycanen in de celmembraan van dierlijke cellen en in de extracellulaire matrix. In deze vorm bindt het tal van liganden en reguleert dus diverse biologische activiteiten waaronder angiogenese en bloedstolling. Het is ook aangetoond dat heparansulfaat kan dienst doen als cellulaire receptor voor een aantal virussen, waaronder Herpes Simplex.
Werkingsprincipe van heparine
Heparansulfaat en heparine zijn chemisch nauw verwant aan elkaar. Het is die gelijkenis, die aan de basis ligt van de bestrijding van koortsblaasjes met lokaal toegepast heparine. De saccharidensamenstelling van beide stoffen is dezelfde. Heparansulfaat bevat echter minder N- en O-sulfaatgroepen en meer acetylgroepen, terwijl bij heparine de sulfaatgroepen, N-sulfaat en meer nog O-sulfaat, overweegt.
Toevoeging van heparine aan een oplossing, die actieve herpesvirussen bevat , resulteert in een competitieve hechting van heparine aan glycoproteïnes op de virale enveloppe. Diezelfde glycoproteïnes hechten zich ook aan heparansulfaat bevattende proteoglycanen op de membraan van de te infecteren gastcel. Op cellijnen gekweekt in het laboratorium is aangetoond dat heparine de binding van Herpesvirus aan de te infecteren doelcellen reduceert. De bezetting door heparine voorkomt bijgevolg virale penetratie in de gastcel.
Door de lokale behandeling van koortsblaasjes met heparine beoogt men hetzelfde effect. Het topisch gebruik is zonder gevaar. Heparine overleeft de transit door het maagdarmstelsel niet en penetreert ook niet via de huid. Hoewel in vitro-experimenten de hypothese bevestigen, ontbreken overtuigende, neutrale klinische gegevens over de efficaciteit bij bestrijding van herpes labialis. Er zijn overigens een aantal kritische randbemerkingen geformuleerd:
- Mogelijks zijn er op de te infecteren cel nog andere bindingsplaatsen die als receptor kunnen dienst doen voor andere virusoppervlaktemoleculen, zodat infectie mogelijk blijft via een niet door heparine beïnvloedbaar proces.
- Virussen, die het glycoproteïne dat verantwoordelijk is voor binding van cellulair heparansulfaat missen, blijven infectieus.
- Ook zou er grote diversiteit bestaan in gevoeligheid voor heparine. Van heparansulfaat bestaan er meerdere varianten, waarvan er sommige meer competitief zijn dan andere. Celtypen die meer competitieve moleculen bevatten zijn gemakkelijker infecteerbaar. Ook bij de virussen zelf zijn varianten mogelijk.
Zink
Het werkingsmechansme van zink op virussen is helemaal niet duidelijk en blijft controversieel. Zink zou viraal DNA-polymerase inhiberen, maar zou dit dan aan zodanig lage concentraties moeten doen, dat die niet schadelijk kunnen zijn voor de gezonde cel. Zink zou ook de aanhechting van het virus aan de cel kunnen verhinderen.
Er is al veel geschreven over het nut van zink bij de behandeling van herpes. Het betreft vooral in vitro-onderzoek, of kleinschalige methodologisch onvoldoende onderbouwde studies. Dikwijls bevatten onderzochte preparaten ook andere ingrediënten wat het onmogelijk maakt het effect van zink op zich te evalueren. Eerlijkheidshalve voegen we toe dat ook nooit aangetoond werd dat zink helemaal geen effect zou hebben.