Skip to Content

Verdieping

 

 

Referenties

 

 

 

Wanneer we in de hierboven gegeven omstandigheden de keuze moeten maken tussen codeïne of dextromethorfan, verdient codeïne inderdaad de voorkeur. Toch enige nuance. Astma en respiratoire problemen worden als contra-indicaties vermeld, zowel bij codeïne als bij dextromethorfan. In de praktijk treden complicaties enkel op bij supratherapeutische doses of bij combinatie met andere geneesmiddelen die ademhalingsdepressie geven. Qua interacties onthouden we vooral de versterking van SSRI door dextromethorfan via competitie voor CYP2D6. Bij dat alles blijven de WWHAM-vragen belangrijk (Wie – Wat – Hoelang – Acties ondernomen – andere Medicatie?) om de noodzaak van een hoestremmer in te schatten. We maken hierbij een onderscheid tussen een voorbijgaande hoest en een hoest met een chronisch karakter (= meer dan 3 weken).

Verdieping stap 1: wat vertellen diverse bronnen over beide substanties?

Onderstaande tabel geeft ons een overzicht van diverse bronnen. We bekijken eerst informatie uit de samenvatting van de kenmerken van het product (SKP). Vervolgens toetsen we die aan enkele standaardwerken.

Tabel 1: vergelijkend overzicht van informatie over de samenvatting van de kenmerken van het product (SKP).

CONDITIE

CODEINE

DEXTROMETHORFAN

Astma

Codeine is gecontraïndiceerd bij patiënten met longoedeem, een verminderde ademreserve en bronchiaal astma (SKP).

In de bijzondere waarschuwingen lezen we: ... Bij patiënten die last hebben van slijmobstructie, onder meer bij sommige vormen van chronische bronchitis, moet Bronchosedal Codeine voorzichtig worden gedoseerd. De hoestreflex die de slijmen helpt ophoesten, moet immers behouden blijven ... (SKP).
En verder: ... Sommige personen kunnen een ultrasnel metabolisme vertonen als gevolg van een specifiek CYP2D6*2x2-genotype. Bij deze individuen wordt codeïne sneller en vollediger in haar actieve metaboliet, morfine, omgezet dan bij andere personen. Deze snelle omzetting leidt tot hogere dan verwachte serumconcentraties van morfine. Zelfs bij de aan-bevolen doseringsschema’s kunnen personen die een ultrasnel metabolisme vertonen, symptomen van overdosering ondervinden, zoals extreme slaperigheid, verwardheid of oppervlakkige ademhaling ... De prevalentie van hoger genoemd fenotype bedraagt 1 tot 10% bij een Kaukasische populatie (SKP).

 

 

 

 

 

 

 

 

De rubriek nevenwerkingen geeft volgende informatie:
... Bronchospasmen, respiratoire depressie ...
Respiratoire depressie wordt ook vermeld bij overdoseringen.

Ademhalingsinsufficiëntie en ast-matische hoest behoren tot de contra-indicaties (SKP).

 

In de bijzondere waarschuwingen lezen we: ... voorzichtigheid is geboden bij astma ... Er wordt ook nog aan toegevoegd: ... de productieve hoest, die een fundamenteel element is van de bronchopulmonale verdediging, mag niet onderdrukt worden ... (SKP)

 

 

 

 

 

 

 

Onder de rubriek interacties wordt ademhalingsdepressie ook hernomen: ... Andere onderdrukkers van het centraal zenuwstelsel: morfine-achtige analgetica, antidepressiva, neuroleptica, sedatieve H1-antihistaminica, benzodiazepines, barbituraten, clonidine en aanverwanten: risico van verergering van de depressie van het centraal zenuwstelsel, in het bijzonder ademhalingsdepressie in geval van combinatie met andere morfinederivaten ... (SKP).

De rubriek nevenwerkingen geeft volgende informatie: ... Dextromethorphan heeft bij therapeutische doses geen effect op de ademhaling, echter bij zeer hoge doses kan het ademhalingscentrum onderdrukt worden ... (SKP)

SSRI

SSRI worden niet vermeld bij de rubriek interacties (SKP).

Bij de interacties staat vermeld:
... Geneesmiddelen die gemetaboliseerd worden door het cytochroom CYP2D6: mogelijkheid van interactie met fluoxetine, paroxetine, sertraline, fluvoxamine, amiodarone, kinidine, haloperidol. Het is bevestigd dat fluoxetine het metabolisme van dextromethorfan kan inhiberen met als mogelijk risico een intoxicatie van het morfine-type. De omgekeerde reactie is eveneens mogelijk, met als mogelijk gevolg een risico van het serotonerg syndroom (mentale confusie, agitatie, hyperreflexie, hyperthermie, overmatig zweten,
myoclonie,…) ...(SKP)

Tramadol

De SKP vermeldt niets over mogelijke interacties tussen codeïne en tramadol.

De SKP vermeldt niets over mogelijke interacties tussen dextromethorfan en tramadol.

 

Tabel 2: aanvullende informatie uit de literatuur

CONDITIE

CODEINE

DEXTROMETHORFAN

Astma

Ernstige ademhalingsdepressie is een contra-indicatie voor gebruik van opioïden [1].
Ernstige ademhalingsdepressie komt vooral voor bij acuut en hoog gedoseerde opioïden. Deze nevenwerking zien we voornamelijk bij gebruik van morfine als pijnstillende medicatie [1].

Er worden geen interacties gemeld van codeïne met redmedicatie bij astma of COPD zoals salbutamol of fenoterol [3].

In therapeutische doses heeft dextromethorfan geen effect op het ademhalingscentrum [1].
Ademhalingsdepressie komt in een later stadium voor bij inname van toxische doses [1].

Er worden geen interacties gemeld van dextromethorfan met redmedicatie bij astma of COPD zoals salbutamol of fenoterol [3].

SSRI

Codeïne is zelf een substraat voor CYP2D6.
Substraten voor CYP2D6: duloxetine
Inhibitoren van CYP2D6: citalopram, duloxetine, escitalopram, fluoxetine, fluvoxamine, paroxetine, sertraline
[2].

Codeïne wordt voor minder dan 10% omgezet tot morfine via CYP2D6 [1].

Het serotonine syndroom is beschreven met de combinatie SSRI + opioïden, waaronder fentanyl, hydromorfon, oxycodon, pentazocine, pethidine, en mogelijks ook met morfine. Nochtans geeft klinische ervaring met morfine uiteenlopende resultaten: het analgetisch effect van morfine wordt door fluoxetine in het ene onderzoek verminderd, in het andere lichtjes versterkt (gezonde vrijwilligers). Fluoxetine beïnvloedde de plasmaspiegels van morfine niet. Fluoxetine had ook geen inlvoed op depressie van de ademhaling. Eén patiënte vertoonde een twee dagen durend delirium met agitatie, verwardheid, ongecontroleerde bewegingen van armen en benen, enkelspasmen en een toegenomen creatinine fosfokinase. De patiënte kreeg morfine en ondansetron tijdens een ingreep en nam tevoren paroxetine [3].

Dextromethorfan is zelf een substraat voor CYP2D6.
Substraten voor CYP2D6: duloxetine
Inhibitoren van CYP2D6: citalopram, duloxetine, escitalopram, fluoxetine, fluvoxamine, paroxetine, sertraline
[2].

Klinische rapporten maken melding van het serotonine syndroom wanneer patiënten SSRI nemen samen met dextromethorfan. Deze interactie wordt gemeld met citalopram, fluoxetine en paroxetine. Kinetische studies met gezonde vrijwilligers wijzen op een verminderd metabolisme van dextromethorfan door fluoxetine, fluvoxamine en paroxetine.
Sertraline (100 mg) had geen significante invloed op het metabolisme van dextromethorfan (30 mg) [3].

Tramadol

Codeïne is zelf een substraat voor CYP2D6.
Tramadol is ook een substraat voor CYP2D6 [2].

Er worden geen klinisch relevante interacties gemeld tussen therapeutische doses codeïne en tramadol.

Dextromethorfan is zelf een substraat voor CYP2D6.
Tramadol is ook een substraat voor CYP2D6 [2].

Er worden geen klinisch relevante interacties gemeld tussen therapeutische doses dextromethorfan en tramadol.

Verdieping stap 2: welke is de farmacokinetische plausibiliteit?

Zowel codeïne als dextromethorfan worden gemetaboliseerd door CYP2D6. Deze metabolisatiestap is voor dextromethorfan belangrijker dan voor codeïne.

Codeïne wordt immers voor meer dan 80% omgezet via CYP3A4 tot norcodeïne (N-demethylering) dat vervolgens wordt geglucuronideerd. CYP2D6 demethyleert codeïne tot morfine. Het is niet duidelijk door welke substanties het analgetisch effect van codeïne wordt veroorzaakt. Het antitussief effect berust mogelijks op een binding aan een speciale codeïne receptor [1].

Dextromethorfan ondergaat een belangrijk eerste passage effect door inwerking van CYP2D6. Het wordt hierbij omgezet tot het farmacologisch actieve dextrorfan (demethylering). De mogelijke interactie met SSRI krijgt hierdoor een belangrijker karakter dan in het geval van codeïne, dat een beperkte omzetting tot morfine ondergaat [1].

Figuur: metabolisatie van codeïne tot norcodeïne (80%) en morfine (10%).

Besluit

Mogelijke onderdrukking van de ademhaling blijkt niet belangrijk voor codeïne en dextromethorfan, tenminste toch niet in therapeutische doses. Wat interacties betreft houden we vooral rekening met de problematiek van de combinatie dextromethorfan en SSRI.

Referenties: 

[1] Anonymus. Informatorium Medicamentorum. Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie. Den Haag 2010: pp. 66-70 en 640-641.

[2] Anonymus. Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium 2012. Belgisch Centrum voor Farmacotherpeutische Informatie, Brussel pp. 18-21.

[3] Baxter K. Stockley’s Drug Interactions. Pharmaceutical Press, London 2010 pp. 1488-1489.

Auteur:
Gert Laekeman
Faculteit Farmaceutische Wetenschappen
KULeuven

Datum laatste actualisatie: 3 februari 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): dextromethorfan, codeïne

Expert: 
gela0007
Er is geen relevante wetenschappelijke literatuur beschikbaar over het gebruik van kalium- en/of natriumbicarbonaat bij artrose of artritis. Er kan dus geen uitspraak gedaan worden over de efficaciteit en doeltreffendheid van deze producten. Ook na contact met een reumatoloog blijft dit besluit behouden.

Zowel de wetenschappelijke literatuur als contact met een specialist-reumatoloog wijzen uit dat er geen gegevens beschikbaar zijn over het nut van het gebruik van bicarbonaatzouten bij artrose/artritis. Bijgevolg kan geen uitspraak gedaan worden over de werking (efficaciteit en doeltreffendheid) van deze middelen.
Op de website van een producent wordt een dergelijk combinatiepreparaat aangeprezen als "een succesvolle aanpak tegen artrose en artritis door het ontzuren van het lichaam”, maar er is geen (overtuigende) verwijzing naar klinische resultaten en dus zijn de beweringen niet na te trekken.
Het BCFI waarschuwt daarenboven dat een regelmatige inname van hoge dosissen bicarbonaat kan leiden tot een permanente alkalinisering van de urine. Hierdoor kan de urinaire excretie van bepaalde geneesmiddelen (bv. nitrofurantoïne, sulfamethoxazol) beïnvloed worden en bestaat een verhoogd risico op niersteenvorming.
Op basis van deze elementen kan het voordeel van de twijfel hier niet ingeroepen worden.

Natriumbicarbonaat wordt wel medisch gebruikt als maagzout voor de neutralisatie van overtollig maagzuur evenals voor de correctie van een metabole acidose (via intraveneuze toediening).

Volledigheidshalve dient gezegd te worden dat een beperkt aantal studies terug te vinden is die een effect melden van balneotherapie op osteoartritis. Balneotherapie is een therapie die wordt aangewend door patiënten te laten baden in warm water (36°C tot 38°C). Aan het water zijn mineralen zoals sulfaten, bicarbonaten en calcium toegevoegd. Om verschillende redenen moeten deze resultaten echter kritisch bekeken worden. Zo is niet duidelijk of het effect te wijten is aan het warme water of aan de aanwezige mineralen. Ook is de beoordeling van pijn een subjectieve weergave en is gekend dat het placebo-effect een grote rol kan spelen. Tenslotte kunnen deze resultaten niet uitgebreid worden naar de orale inname van deze mineralen.

Referenties: 

[1] Fioavanti A., Giannitti C., Bellisai B., Iacoponi F., Galeazzi M. Efficacy of balneotherapy on pain, function and quality of life in patients with osteoarthritis of the knee. Int J Biometeorol. 2012. 56(4): 583-590.

[2] Horvath K., Kulisch A., Nemeth A., Bender T. Evaluation of the effect of balneotherapy in patients with osteoarthritis of the hands: a randomized controlled single-blind follow-up study. Clinical Rehabilitation. 2012. 26(5): 431-441.

[3] Prof. L. Verbruggen (diensthoofd reumatologie UZ Brussel): persoonlijke communicatie

[4] www.alkalife.nl

[5] www.bcfi.be

Auteurs:
Drs. Apr. Sara Desmaele en Prof. Dr. Apr. Stephane Steurbaut
UZ Brussel/VUB
Dienst Klinische Farmacologie & Farmacotherapie

Datum laatste actualisatie: 16 januari 2012

Expert: 
expert
Van simvastatine werd zowel in vitro als in een experimenteel diermodel een remmende invloed gemeten op de remyelinisatie. Het feit dat HMG Co-A reductase in alle celtypes aanwezig is en dat het lipofiele simvastatine de hersenen bereikt, suggereert dat lange termijneffecten van statines op neurale cellen theoretisch niet mogen uitgesloten worden. In de praktijk moet dit wel meevallen. Met betrekking tot de mentale effecten van statines op de gemoedstoestand spreken de studies elkaar tegen. De ene studie meldt een positief verband, de ander een negatief, nog andere helemaal geen.

Statines en myelinesynthese

Remyelinisatie draagt bij tot herstel van lesies  in het centraal zenuwstelsel na een klinische terugval in multiple sclerose (MS). Die remyelinisatie  wordt geïnitieerd door recrutering van voorlopercellen van oligodendrocyten  en, daarop volgend, hun differentiatie  tot myeliniserende oligodendrocyten. In vitro is aangetoond dat simvastatine, een statine dat de bloed-hersenbarrière passeert ,  de processen die tussenkomen bij remyelinisatie negatief beinvloedt.

Die bevindingen worden ook bevestigd met het experimenteel diermodel, waarbij MS in muizen wordt geïnduceerd via toxische demyelinisatie (cuprizone-dieetmodel) . De auteurs meten een verminderde beschikbaarheid van myeliniserende oligodendrocyten.  Ze stellen daarom als hypothese dat simvastatine de differentiatie van de voorlopercellen afremt. In hun conclusie wijzen ze op het belang van cholesterol - en isoprenoidsynthese voor het in stand houden van de myelinestatus. Zonder enige uitspraak te doen over mogelijke klinische effecten, vinden ze het raadzaam de langetermijneffecten goed op te volgen van therapieën die een impact hebben op celtypes die het doelwit vormen van neurologische ziekteprocessen of die betrokken zijn in weefselherstelprocessen. Het feit dat HMG Co-A reductase in alle celtypes aanwezig is en dat het lipofiele simvastatine de hersenen bereikt en het enzym dus ook daar kan afremmen, suggereert dat directe effecten  van statines op neurale cellen niet mogen uitgesloten worden [1].

Effecten van statines op de gemoedstoestand

Wat de klinische effecten van statines op de gemoedstoestand betreft, is er vooralsnog weinig eensgezindheid in de wetenschappelijie wereld.

In een recente review [2] worden 8 studies vergeleken, die ieder het effect bestudeerden  van statines bij volwassenen ouder dan 18 jaar op een of meerdere van de volgende aspecten van de mentale  status: depressie, angst, agressie, vermoeidheid, verwarring en vitaliteit . De aanleiding was de vaststelling van een relatie tussen lage serumcholesterolspiegels en verhoogde mortaliteit door ongevallen en zelfmoord.  

Drie artikels rapporteerden evidentie voor een positieve relatie met depressie, een andere  vermeldde een omgekeerde relatie, terwijl de overige helemaal geen relatie vonden. Van de 6 publicaties die angst bestudeerden, vond slechts één een significante afname van angstgevoelens onder statinebehandeling. Twee op zes studies stelden een toename van agressie vast, waarbij in één studie zelfs een verband werd aangetoond met  lipofiliciteit van het statine. Anderzijds stelde een publicatie een omgekeerde relatie vast.

Deze review geeft dus duidelijk te kennen dat de bevindingen elkaar tegenspreken. Meer gerichte studies op meer gevoelige bevolkingsgroepen zoals bejaarden, zouden mogelijk een meer overtuigend  beeld kunnen geven.

  

Referenties: 

[1] Miron VE, Zehntner SP, Kuhlmann T, Ludwin SK, Owens T, Kennedy TE, Bedell BJ, Antel JP., Statin therapy inhibits remyelination in the central nervous system.,Am J Pathol. 2009 May;174(5):1880-90. Epub 2009 Apr 6.

[2] While A, Keen L., The effects of statins on mood: a review of the literature, Eur J Cardiovasc Nurs. 2012 Mar;11(1):85-96.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 10 december 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Statines

Expert: 
lucls5261
Dragerschap op de handen van het personeel en rechtstreeks contact met besmet verzorgingsmateriaal zijn de frequentste overdrachtswegen van ESBL-bacteriën. Vooral contact met urine is risicovol. Zorgwerkers dienen handschoenen en een schort te dragen bij direct contact met urine of een katheter en bij contact met wonden en lichaamsvloeistoffen van ESBL-positief bevonden patiënten. Speciale aandacht wordt gevraagd voor de locatie waar ESBL gekweekt is. Indien dit uit een wond, katheter, of stoma is dan is verscherpte hygiëne bij de verzorging daarvan van belang.

Overdracht

Breed-spectrum bèta-lactamasen (ESBL – Extended Spectrum BetaLactamase) zijn enzymen die door Gram-negatieve bacteriën worden geproduceerd. Zij kunnen bepaalde antibiotica afbreken en onwerkzaam maken (zoals bv. cefalosporines, penicillines en monobactams) tegen de bacteriën die deze enzymen produceren. De productie van beta-lactamasen is  in de natuur al heel lang bekend.  Het massief gebruik van bètalactamantibiotica, zeker vanaf de invoering van breedspectrum cefalosporines begin jaren ‘80, heeft voor diversificatie en uitbreiding gezorgd, waardoor ESBL producerende bacteriën zich hebben verspreid binnen de verschillende soorten. Op dit ogenblik zijn er meer dan 200 types ESBL geïdentificeerd.

ESBL-bacteriën zijn vooral ziekenhuisbacteriën omwille van het resistentieprobleem. Ze worden samen met o.a. MRSA tot de multiresistente bacteriën (MRB’s) gerekend. Het probleem blijft evenwel niet beperkt tot het ziekenhuis. MRB's, verworven tijdens een ziekenhuisverblijf, kunnen na het ontslag blijven bestaan. Door kruisoverdracht via zorgverleners kunnen ze vervolgens bij ambulante zorgverlening overgedragen worden naar mensen die geen rechtstreeks contact met een verzorgingsinstelling hebben gehad. De professionele thuiszorgverleners spelen bijgevolg een essentiële rol in het al dan niet beheersen van de verspreiding van deze MRB in de gemeenschap.

ESBL wordt niet aerogeen overgedragen, maar via direct contact. Dragerschap op de handen van het personeel en rechtstreeks contact met besmet verzorgingsmateriaal zijn de frequentste overdrachtswegen. Vooral contact met urine is risicovol. Zorgwerkers dienen handschoenen en een schort te dragen bij direct contact met urine of een katheter en bij contact met wonden en lichaamsvloeistoffen van ESBL-positief bevonden patiënten. Speciale aandacht wordt gevraagd voor de locatie waar ESBL gekweekt is. Indien dit uit een wond, katheter, of stoma is dan is verscherpte hygiëne bij de verzorging daarvan van belang.

Voor gezonde mensen zijn ESBL-producerende bacteriën niet gevaarlijk. Echter, voor mensen die een infectie hebben – bijvoorbeeld een simpele urineweginfectie – en daarvoor behandeld moeten worden, kan het de behandeling bemoeilijken.  Gezonde gezinsleden, die een geïnfecteerd familielid verzorgen hebben er dus niet zoveel last van. Ze komen ook niet in contact met andere patiënten, maar meestal wel met een professionele thuisverzorger die hen eventueel bijstaat . Voorzichtigheid blijft dus geboden.

Er bestaan zeer gedetailleerde richtlijnen voor verzorgingsinstellingen en ziekenhuizen, opgesteld door de  Belgian Infection Control Society. We haalden er de elementen uit die voor de thuissituatie van toepassing zijn.

Algemene voorzorgsmaatregelen

Om overdracht en verspreiding van microorganisme te voorkomen en tevens de zorgverstrekker te beschermen, zijn minimale, algemeen geldende  voorzorgsmaatregelen bij iedere patiënt noodzakelijk.

  • elke zorgverstrekker ontsmet vóór en na elk contact met de patiënt de handen met handalcohol;
  • zichtbaar vuile handen worden eerst gewassen met water en zeep en gedroogd vooraleer ze in te wrijven met handalcohol;
  • rechtstreeks contact met bloed of lichaamsvochten van de patiënt  moeten vermeden worden; niet-steriele handschoenen, een beschermjas en eventueel een masker zijn daarbij uitstekende hulpmiddelen;
    • niet-steriele handschoenen: handen ontsmetten voor en na het dragen van handschoenen!
    • beschermjas met lange mouwen: een beschermjas voor éénmalig gebruik en specifiek gereserveerd voor de verzorging van één patiënt zou het beste zijn. In geval van gebruik van een linnen jas, wordt die vervangen zodra bevuild. De beschermjas bevindt zich aan de ingang van de kamer en wordt dus aangetrokken vooraleer de kamer binnen te gaan, indien men rechtstreeks contact van de werkkledij met de patiënt of zijn omgeving voorziet. Bij het verlaten van de kamer is de wijze van het uittrekken van de persoonlijke beschermingsmiddelen en vooral de volgorde zeer belangrijk om contaminatie van de handen of van de werkkledij te voorkomen. Het uittrekken van de beschermjas en handschoenen wordt gevolgd door een ontsmetting van de handen met handalcohol.
    • dragerschap van ESBL-positieve enterobacteriën in de luchtwegen geen indicatie voor het dragen van een masker. Een masker is wel aanbevolen wanneer er kans is op ophoesten van secreties door de patiënt, niet voor routineverzorging.
  • maximale maatregelen dienen te worden genomen om prik- en snijongevallen te voorkomen.

Deze aanpak dient eveneens te worden toegepast in een ruimer kader zoals bij de behandeling van linnen, het verwijderen van verzorgingsafval en de dagelijkse schoonmaak van oppervlakken die frequent worden aangeraakt in de kamer.

De maatregelen dienen ook toegepast te worden door personen die niet onmiddellijk met de zorg zijn betrokken, maar die met meerdere patiënten in contact komen (vrijwilligers, bedienaren van erediensten, diëtisten, maatschappelijk werkers, …).

Dieper gaande praktische details in verband met de werkwijze bij handhygiëne, het gebruik van handschoenen en maskers zijn beschreven in de "Aanbevelingen i.v.m. de infectiebeheersing tijdens de verzorging buiten de verzorgingsinstellingen (thuisverzorging en/of op een kabinet)" van de Hoge Gezondheidsraad.

Andere voorzorgen

Het neerzetten van een maaltijdplateau in de kamer vergt geen bijzondere maatregelen op voorwaarde dat men geen enkele andere handeling uitvoert in de kamer (vb. helpen van de patiënt om zich te installeren voor het nuttigen van zijn maaltijd, het positioneren van het blad van het nachtkastje). De handen nadien ontsmetten met handalcohol blijft noodzakelijk!

Bij de schoonmaak is er geen rechtstreeks contact met de patiënt, maar wel met zijn potentieel gecontamineerde omgeving. Het dragen van niet-steriele handschoenen en een beschermjas is daarom aanbevolen, alsook uiteraard verwijderen van handschoenen en ontsmetten van handen bij het verlaten van de kamer. Als er meerdere kamers worden gekuisd, wordt de kamer van de besmette patiënt als laatste aangepakt.

Het merendeel van het verzorgingsafval van een ESBL-positieve patiënt zal kunnen worden beschouwd als “niet-risicohoudend medisch afval". Het risico is onbeduidend in termen van volksgezondheid.

Medische hulpmiddelen zoals thermometer, knelband, bloeddrukmeter, … worden voorbehouden voor de patiënt en blijven best in de kamer. Ze moeten nadien grondig worden gedesinfecteerd met een (liefst alcoholisch) middel voor medische apparatuur, vooraleer te herbruiken voor een andere persoon.

Voorraden van verzorgingsmateriaal voor eenmalig gebruik stockeert men best buiten de kamer.

Bezoekers dienen hun handen te ontsmetten met handalcohol vooraleer de kamer te verlaten.

Bij transport in bed is handhygiëne voor en na het transport vereist. Indien transport in een (rol)stoel dient men erop toe te zien dat de (rol)stoel bedekt is met een doek en dat de plaatsen die de patiënt met de handen heeft aangeraakt, ontsmet worden.

Het verlaten van de kamer dient beperkt te worden, gezien het gebrek aan controle op de activiteiten en op de omgang met andere personen. Indien de patiënt zijn kamer mag verlaten, dient hij zijn handen te ontsmetten vooraleer de kamer te verlaten.

Referenties: 

[1] Belgian Infection Control Society (BICS), Detectie, surveillance, preventie en beheersing van de overdracht van ESBL-producerende enterobacteriën, Richtlijnen, Antwoorden op 60 praktische vragen, versie 21/07/2008.

[2] Aanbevelingen i.v.m. de infectiebeheersing tijdens de verzorging buiten de verzorgingsinstellingen (thuisverzorging en/of op een kabinet), December 2008, Publicatie van de Hoge Gezondheidsraad nr. 8279.

[3] Het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid: www.zorginfecties.be

[4] Is een patiënt met ESBL in thuiszorg of verzorgingshuis een probleem? (11.05.2010), Zorg Infectie Preventie-net.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 8 november 2012

Expert: 
lucls5261
Er is geen klinische evidentie voor het enkelvoudig gebruik van zoethout bij de ziekte van Addison. Wel kan het simultaan gebruik met orale glucocorticoïden er mogelijk toe leiden dat meer normale diurnale fluctuaties met deze laatste worden bekomen. Een gekende bijwerking van zoethoutpreparaten is het optreden van “pseudoaldosteronisme”.

De mogelijke toepassing van zoethout i.v.m. de “ziekte van Addison” is terug te brengen tot de aanwezigheid van glycyrrhizinezuur in deze plantaardige grondstof. De gekende remmende werking van deze verbinding op de HDS-11β type 2-activiteit (11β-hydroxysteroid dehydrogenase type 2) vormt hierbij de basis. Aangezien dit enzym verantwoordelijk is voor de oxidatie van cortisol tot cortison kan een verminderde activiteit hiervan leiden tot verhoogde cortisolwaarden.
Gezien echter het beperkte vermogen van deze patiënten tot eigen cortisolsynthese zou men van het gebruik van zoethout weinig direct effect verwachten. 
 
Zoals reeds door de vraagsteller vermeld vonden ook wij geen klinische studies, die deze toepassing ondersteunen. Wel zijn er een aantal, vnl. oudere, “case reports” die deze toepassing toch zouden bevestigen [1,2,3,4]. Mogelijk speelt de ernst van de aandoening hierbij een rol.

Meer recent is er wel een beperkte (n = 17), open placebo gecontroleerde studie verschenen waarbij het additioneel gebruik van zoethout werd onderzocht i.v.m. deze aandoening. Het uitgangspunt hierbij was dat het zeer moeilijk is om via orale toediening van glucocorticoïden de normale dagelijkse diurnale cyclus na te bootsen. Daarom werd het effect nagegaan van het gelijktijdig toedienen van een zoethoutproduct en dit gedurende 3 dagen met een dagdosis van 150 mg glycyrrhizinezuur bij patiënten behandeld met cortisonacetaat [5].

Hierbij werd een significante toename van het serum (5,7 %) en speeksel cortisolgehalte waargenomen, geassocieerd met een daling (11 %) in cortison. Ct=160 voor cortisol steeg met 20 %.  Dit ging gepaard met een gestegen urinaire cortisolexcretie en gestegen cortisol/cortisone verhouding in de urine. Deze waarnemingen kunnen in direct verband worden gebracht met een door glycyrrizinezuur veroorzaakte remming van het renaal HDS-11β type 2. Hierdoor grijpt er een verminderde omzetting plaats van het oraal toegediende cortisol tot cortison.
Een interessante waarneming was ook dat er geen wijziging in Cmax en Tmax werd waargenomen in vergelijking met de placebogroep. Aangezien de omzetting van cortisoneacetaat tot cortison afhankelijk is van het in de lever aanwezige HDS-11β type 1, wijst dit erop dat deze enzymactiviteit niet werd geremd door het zoethoutpreparaat wanneer toegediend bij deze concentratie.

Ter informatie, in hogergenoemde studie werd eveneens het gelijktijdig gebruik van een gestandaardiseerde pompelmoessap bereiding onderzocht. Hiermee werd zelfs een sterkere toename in serum cortisolgehalte waargenomen dan bij de zoethoutbereiding (AUC stijging van 19 % en Ct=160 stijging van 81 %). Dit werd vnl. verklaard door een invloed op de cortisonacetaat-absorptie.
In conclusie kan men dus stellen dat er geen klinische evidentie is voor het enkelvoudig gebruik van zoethout bij de ziekte van Addison. Wel kan het simultaan gebruik met orale glucocorticoïden er mogelijk toe leiden dat meer normale diurnale fluctuaties met deze laatste worden bekomen.

Een gekende bijwerking van zoethoutpreparaten is het optreden van “pseudoaldosteronisme”. Dit ten gevolge van hun effect t.h.v. de mineralcorticoïd receptoren. Theoretisch kan dit zeker spelen bij deze patiëntengroep aangezien zij mogelijk minder gevoelig zijn aan terugkoppelingsmechanismen. Een verhoogde bloeddruk werd echter niet waargenomen in hoger genoemde studie. Er dient hierbij wel te worden vermeld dat de behandelingsduur van 3 dagen mogelijk te kort was om een duidelijk effect te veroorzaken.

Referenties: 

[1] Groen J. et al.. 1951. New Eng. J. Med. 244: 471-475.

[2] Calvert RJ. 1954. Lancet 266: 805-807.

[3] Cotterill JA and Cunliffe WJ. 1973. Lancet 1 294-295.

[4] Cooper H. et al..  2007. Ann. Clin. Biochem. 44: 397-399.

[5] P. Methlie et al.. 2011. Eur. J. Endocrin. 165: 761-769

Auteur:
 

Prof. Dr. K. Demeyer
VUB - FAFY
Laarbeeklaan 103,
B-1090 Jette.

 

Datum laatste actualisatie: 24 november 2012

Expert: 
expert
Voor Calx-Plus (65 µg vitK) is er dus geen reden tot ongerustheid, eerder het tegendeel. Men raadt zelfs aan om patiënten onder behandeling met orale anticoagulantia dagelijks ongeveer 100 µg vitamine K te geven, om fluctuaties in INR te vermijden. Met het dagelijks gebruik D-Vital Calcium K (135 µg vit K) gedurende langere perioden zouden we iets meer terughoudend zijn. Occasionele inname is zeker geen probleem.

In het advies over de te nemen maatregelen bij een mogelijke interactie tussen orale anticoagulantia en vitamine K-derivaten vinden we in Delphi [1] letterlijk de volgende aandachtspunten:

  • Patiënten die een therapie met anticoagulantia volgen moeten zich houden aan een gevarieerde voeding en mogen hun eetgewoonten niet plots wijzigen.
  • Occasionele inname van voedingsmiddelen of multivitaminepreparaten met een hoog vitamine K gehalte (250-500 µg vitamine K) vergt geen speciale maatregelen. Grotere hoeveelheden vitamine K mag men echter alleszins niet gedurende meerdere dagen innemen.
  • Bij parenterale voeding, voeding met instantproducten (o.a. formulediëten), en bij regelmatige inname van multivitaminepreparaten moet men letten op het vitamine K gehalte van de producten.
  • Bij patiënten met een vitamine K-tekort (bij leverziekten, maag- en darmaandoeningen, ernstige stoornissen in de vetabsorptie, parenterale voeding) kunnen mogelijk ook kleinere doses vitamine K (25 µg) de werking van de anticoagulantia verminderen.
  • Men raadt aan om patiënten onder behandeling met orale anticoagulantia dagelijks ongeveer 100 µg vitamine K te geven, om fluctuaties in INR (International Normalised Ratio) te vermijden.
  • Fytomenadion wordt gebruikt voor de behandeling van een overdosering met orale anticoagulantia.

Systematische dosis-respons studies werden uitgevoerd bij gezonde vrijwilligers na 13 weken  voorafgaande stabiele anticoagulerende therapie. De invloed op de INR werd gemeten van een wekelijks stijgende hoeveelheid vitamine K1-supplement, gaande van 50 tot 500 µg/dag, dagelijks en telkens gedurende 7 dagen toegediend.  Een statistisch significante daling van de INR was pas merkbaar vanaf een dosis van 150 µg/dag vitamine K1. Bij 25% van de deelnemers was de daling bij deze dosis ook klinisch relevant.  Uit de studies is ook gebleken dat de respons na het nuttigen van vitamine K-rijke voedingsmiddelen steeds van kortere duur is. De dagelijkse variatie in de voeding zorgt voor een grote kortetermijnvariabiliteit in de innames van vit K1 en verklaart waarom die minder impact blijken te hebben op de INR. Voedingssupplementen die  100 μg/dag  vitamine K1 aanbrengen interfereren niet significant met een orale anticoagulerende therapie  [6].

Omgekeerd wordt een lage inname van vitamine K1 geassocieerd met een minder stabiele INR en een risico tot onvoldoende anticoagulatie. Preliminaire resultaten suggereren dat de stabiliteit van de anticoagulerende therapie verbetert door toediening van een dagelijks vitamine K-supplement of mogelijk ook door een betere beheersing van de aanvoer ervan via het dieet [4,5].

Calx-Plus zonder suiker bevat 65 µg fytomenadion ( vit K1) per blokje.  1 zakje D-Vital Calcium K 500/200 Sinaasappel bevat Vit.K 135 µg. Dit is resp 86 en 180% van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van 75 µg voor volwassenen [2,3].

Concluderend kunnen we stellen dat er voor Calx-Plus geen reden is tot ongerustheid, eerder het tegendeel.  De dosis van D-Vital Calcium K is heel wat hoger, maar niet extreem. Sporadisch gebruik is geen probleem. Met het dagelijks gebruik gedurende langere perioden zouden we iets meer terughoudend zijn.

Referenties: 

[1] Interactie tussen orale anticoagulantia en vitamine K-derivaten, www.delphicare.be ,  geraadpleegd op 7/11/2012.

[2] www.calxplus.com/, geraadpleegd op 7/11/2012

[3] www.newpharma.be/apotheek/depharm/91035/d-vital-calcium-k-500-200-sinaasappel-40-zakjes.html , geraadpleegd op 7/11/2012

[4] Holmes MV, Hunt BJ, Shearer MJ., The role of dietary vitamin K in the management of oral vitamin K antagonists, Blood Rev. 2012 Jan;26(1):1-14. Epub 2011 Sep 13.

[5] Booth SL., Dietary vitamin K guidance: an effective strategy for stable control of oral anticoagulation?, Nutr Rev. 2010 Mar;68(3):178-81.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 8 november 2012

Expert: 
lucls5261
De EFSA publiceerde in 2006 een gedetailleerde bespreking van de maximale aanvaardbare hoeveelheden vitaminen en mineralen, die dagelijks en chronisch mogen worden ingenomen zonder gevaar op intoxicatieverschijnselen of schade op de lange termijn. Van preparaten, die onder deze grens blijven, nemen we aan dat ze onbeperkt kunnen worden gebruikt. Voor vitaminen waarvoor er geen UL-waarde kon worden vastgelegd, is er per definitie ook geen probleem.

UL-waarden

Om een volledig antwoord op deze vraag te verkrijgen, zal voor elke ingrediënt moeten worden nagegaan in hoeverre de aangeraden dagelijkse  posologie de maximaal toelaatbare inname niet overtreft. De Engelse term hiervoor is de Upper Intake Level  of UL. De UL drukt de maximale aanvaardbare hoeveelheid van een stof uit, die dagelijks en chronisch mag worden ingenomen zonder gevaar op intoxicatieverschijnselen of schade op de lange termijn. Een gedetailleerde bespreking van deze problematiek,  is te vinden in het rapport van de Scientific Committee on Food van de EFSA [1]. Ook het gebruik van mineralen worden daarin behandeld. We beperken ons hier tot de vitaminen, maar de oefening is dezelfde voor mineralen.

Ook de Amerikaanse Office of Dietary Supplements van the National Institutes of Health publiceren UL-waarden [2,3,4]. We stellen vast dat de cijfers van beide instanties niet helemaal gelijk lopen.

De tabel hieronder vat de UL-waarden samen uit het genoemde EFSA-rapport. Van vitaminepreparaten, die onder deze grens blijven, mogen we aannemen dat ze onbeperkt kunnen worden gebruikt.

UL-waarden van diverse vitaminen

Leeftijd in jaren

Vit A (1)
µg /dag

Vit D
(µg/dag)

Vit E
(mg/dag)

B3
(mg/dag)

B6
(mg/dag)

Folium-zuur
(μg/dag]

1 - 3

800

25

100

150

5

200

4 - 6

1100

25

120

220

7

300

7 - 10

1500

25

160

350

10

400

11 -14

2000

50

220

500

15

600

15 - 17

2600

50

260

700

20

800

volwassenen

3000

50

 

 

25

 

(1) vit A : retinol en retinylesters, uitgedrukt als retinol-equivalenten (RE)

Echter niet voor alle vitaminen werden UL-waarden  vastgelegd. Dat is een gevolg van een ontoereikende beschikbaarheid van gegevens, maar wijst er tevens op dat er zich voor die stoffen nog nooit een noemenswaardig probleem heeft voorgedaan.  Bij de wateroplosbare vitaminen is dit het geval voor de vitaminen B1, B2, B5 (pantotheenzuur), B12 en C. Van deze vitaminen zegt de EFSA dat er geen enkele aanwijzing is dat ze op de lange termijn enige schade zouden veroorzaken, zonder daarbij veiligheid als onbetwistbare zekerheid te poneren.  Voor vitamine B3 (nicotinamide), B6 (pyridoxine) en foliumzuur zijn er wel UL-waarden vastgelegd. Excessief gebruik van deze vitaminen kan wel degelijk  nadelige effecten hebbens.

De vetoplosbare vitaminen A, D, E en K staan bekend om hun accumulatievermogen in het lichaam en worden het meest geassocieerd met toxiciteit. Nochtans, ondanks zijn ietwat verdachte status als vetoplosbaar vitamine, bestaan er voor vitamine K geen aanwijzingen van intoxicatieproblemen zelfs bij innames tot 10 mg/dag, meer dan 100 maal de dagelijkse behoefte. De klinische gegevens zijn beperkt maar worden ondersteund door dierexperimenten, waarbij extreem hoge doses vit K werden toegediend. Voor vitamine K zijn er derhalve ook geen UL-waarden beschikbaar.

Supplementen zijn steeds de oorzaak

Vitamine A: Chronische intoxicatie door vitamine A (hypervitaminose  A) is doorgaans het gevolg van overmatig gebruik van retinol of retinolesters onder vorm van supplementen. Dit gebeurt nagenoeg nooit als via de voeding relatief grote hoeveelheden worden aangevoerd.

Overtollig Vitamine A stapelt zich in het lichaam op, vooral in de lever. Na stopzetting duurt het een hele tijd alvorens die dépôts uit de lichaamsweefsels verdwenen zijn. Onherstelbare leverschade kan inmiddels het gevolg zijn. Andere verschijnselen van chronische intoxicatie zijn een verminderde botdensiteit en een verhoogd risico tot botbreuken. Zwangere vrouwen moeten hoge doses zeker vermijden wegens het gevaar voor congenitale geboorteafwijkingen. Dit geldt ook voor synthetische analogen van vitamine A zoals isotretinoïne (Roaccutane®) en adapaleen (Differin®), gebruikt bij acne en acitretine (Neotigason®) , gebruikt bij  psoriasis.

Provitaminen A, zoals bètacaroteen en andere carotenoïden, veroorzaken nooit intoxicatie. Ze veroorzaken enkel een relatief onschuldige geel-oranjekleuring van de huid, die verdwijnt wanneer de aanvoer afneemt. Wel zijn een verhoogd risico op longkanker en een toename van de cardiovasculaire mortaliteit vastgesteld na langdurig gebruik van bètacarotenen gedurende 5 - 8 jaar.

Vitamine D: Intoxicatieverschijnselen van vitamine D zijn steeds het gevolg van een chronisch overmatig gebruik van supplementen. Langdurige inwerking van zonlicht op de huid kan geen bron zijn van vitamine D-intoxicatie, aangezien de aanmaak van vitamine D in de huid zichzelf limiteert. Ook inname van potentieel toxische hoeveelheden vitamine D via de voeding is zeer onwaarschijnlijk.

Intoxicatie met vitamine D veroorzaakt aspecifieke symptomen zoals anorexie, gewichtsverlies, polyurie en hartaritmieën. Stijgende calciumspiegels in het bloed brengen verkalking van weefsels en bloedvaten teweeg. Die zijn in ernstige gevallen verantwoordelijk voor schade aan hart, bloedvaten en nieren.

Vitamine E: Ook voor vitamine E geldt dat inname via de voeding geen problemen oplevert. Hoge doses alfatocoferol-supplementen veroorzaken bloedingen. Bloedstolling en plaatsjesaggregatie worden verstoord.

Referenties: 

[1] European Food Safety Authority, Tolerable Upper Intake levels for Vitamins and Minerals, Scientific Committee on Food Scientific Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies, February 2006

[2] Fact Sheets Vitamin D , geraadpleegd op 25 februari 2013

[3] Fact Sheets Vitamin A , geraadpleegd op 25 februari 2013

[4] Fact Sheets Vitamin E , geraadpleegd op 25 februari 2013

[5] Q-box vraag 332, Ik heb een voorschrift voor Vitamine A 300.000 E 1 amp. per dag. Is zo'n hoge dosis verantwoord ?

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 1 maart 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Vitaminen en mineralen: intoxicaties

Expert: 
lucls5261
De topische toepassing van hyaluronzuur bij aften is vooralsnog weinig onderbouwd en niet algemeen erkend. Het aantal studies is beperkt, maar de resultaten daarvan zijn wel gunstig.

Aften

Een aft (stomatitis aphthosa)  is een pijnlijk grijswit zweertje in de mond van ca. 5 tot 10 mm in doorsnede. Aften komen vooral voor op het wangslijmvlies, het tandvlees en het verhemelte, maar ook de tong kan worden aangetast. De meeste mensen hebben ooit wel eens een aft gehad. Als iemand jarenlang geplaagd wordt door de frequente vorming van aften in de mond spreekt men van recidiverende orale ulceraties [1].

Er is vandaag geen sprake van een oorzakelijk verband tussen aften en hyaluronzuurgebrek. Wat de oorzaak van aften betreft verwijzen we naar een oudere Q-box vraag .

Hyaluronzuur

Hyaluronzuur (HZ)(syn. hyaluronan) is een lineair polymeer van het disaccharide glucuronzuur -N-acetylglucosamine. Het is het hoofdbestanddeel van gewrichtsvloeistof  (synoviaal vocht) en speelt daar de rol van smeermiddel en stootkussen.  Om die reden worden HZ-preparaten bij osteoartritis in de knie gespoten, evenwel met wisselend succes.
HZ speelt ook een belangrijke rol in weefselherstelprocessen waaronder:

  • de activering en sturing van ontstekingsreacties;
  • stimulering van celgroei, celmigratie, angiogenese en re-epithelisatie;
  • remming van collageen- en lidtekenvorming.

Deze rol van HZ verklaart zijn andere toepassingen, met name de bevordering van heling van veneuze ulcera, diabetische ulcera en snijwonden. Ook bij heelkunde, vooral na oogheelkunde, wordt HZ frequent toegepast [2]. Het wordt aangebracht in de voorkamer bij oogheelkundige ingrepen teneinde de integriteit van de oogstructuren te behouden. In ernstige gevallen van conjunctivitis sicca en bij brandwonden wordt het ook op de cornea aangebracht.

 

Hyaluronzuur bij aften

De toepassing bij aften is vooralsnog weinig onderbouwd en niet algemeen erkend. Het aantal studies is beperkt, maar de resultaten daarvan zijn wel gunstig. We vonden slechts 2 studies. We citeren ook een derde studie, die betrekking had op een gecombineerd preparaat van een NSAID en hyaluronzuur.
Om de werking van een topisch HZ-preparaat (0.2% in gel) aan te tonen, namen  100 patiënten met  recidiverende orale ulceraties deel aan een gerandomizeerde,  placebo gecontroleerde, dubbel-blind trial. De deelnemers werden tijdens een periode van 60 minuten na applicatie van nabij gevolgd en aan hen werd gevraagd na 5, 10, 15, 30, 45 en 60 minuten hun pijngewaarwording uit te drukken op een visuele pijnschaal.  Daarna dienden zij de evolutie van de pijn en van de ulcera  in een dagboek te registreren gedurende de 7 dagen dat het preparaat verder werd gebruikt.

Zowel topisch HZ en placebo brachten een significante pijnreductie teweeg (P = 0.0004) gedurende de eerste 30 min na applicatie. Daarna daalden de scores terug naar de basislijn voor beide groepen. Patienten behandeld met topisch HZ registreerden minder ulcera op dag 5 in vergelijking met placebo (P < 0.001). Op dag 4 was ook het aantal nieuwe ulcera lager bij de behandelingsgroep (P = 0.047).

De auteurs concluderen dat topisch HZ (0.2%) zinvol kan zijn bij de behandeling omwille van ulcushelende en ulcus remmende werking. De pijnreductie bij aanvang wordt toegeschreven aan een barrière effect [3].

Een gelijkaardige studie had plaats op 33 patiënten, waarvan nagenoeg de helft leed aan recidiverende orale ulceraties en de andere helft aan de Ziekte van Behçet. 75.8% ondervonden verlichting van de pijn. Bij  57.6% van de patiënten bleek het aantal ulcera licht af te nemen. 78.8% van de ulcera verminderde in grootte. Ook de inflammatoire tekenen, zwelling en lokale opwarming verbeterden na behandeling. Bijwerkingen werden niet geobserveerd. Er waren geen verschillen in effect tussen  patiënten met recidiverende orale ulceraties of met de Ziekte van Behçet [4].

Een andere optie bestaat uit een preparaat met 3% diclofenac in 2.5% hyaluronzuurgel. In een gerandomizeerde, dubbelblinde studie werden 60 gezonde volwassenen met aften ingedeeld in drie behandelingsgroepen: een groep kreeg een eenmalige dosis 3% diclofenac in 2.5% HZ-gel, een tweede groep 2.5% HZ-gel  en een derde groep een 3% lidocainepreparaat. 10 minuten na applicatie van de gel werd 48% pijnreductie (p < 0.01) waargenomen. Er was qua pijnreductie geen significant verschil tussen de drie groepen. 2 tot 6 u na applicatie bleek een 35 - 52% pijnreductie (p < 0.01) te worden gerapporteerd na diclofenac in HZ-gel, terwijl HZ-gel alleen en lidocaine geen significante pijnreductie gaf [5].

Referenties: 

[1] http://nl.wikipedia.org/wiki/Afte

[2] Micromedex 2.0

[3] Nolan A, Baillie C, Badminton J, Rudralingham M, Seymour RA., The efficacy of topical hyaluronic acid in the management of recurrent aphthous ulceration, J Oral Pathol Med (2006) 35: 461–5.

[4] Lee JH, Jung JY, Bang D., The efficacy of topical 0.2% hyaluronic acid gel on recurrent oral ulcers: comparison between recurrent aphthous ulcers and the oral ulcers of Behçet's disease., J Eur Acad Dermatol Venereol. 2008 May;22(5):590-5. Epub 2007 Dec 17.

[5] Saxen MA, Ambrosius WT, Rehemtula al-KF, Russell AL, Eckert GJ., Sustained relief of oral aphthous ulcer pain from topical diclofenac in hyaluronan: a randomized, double-blind clinical trial, Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod. 1997 Oct;84(4):356-61.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 27 november 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Hyaluronzuur

Expert: 
lucls5261

Gambaran wordt altijd 's avonds geadviseerd door artsen, waarom?

Gambaran is een prodrug met minimale gastro-intestinale nevenwerkingen. Het analgetisch / anti-inflammatoir effect wordt pas waargenomen 4u na toediening maar houdt vervolgens 24 uur aan. Bij toediening 's avonds bekomt men in de ochtend en voormiddag een optimale werking op gewrichtspijn, ochtendstijfheid, gevoeligheid en zwelling.Voor acute toepassing is Gambaran bruikbaar doch minder geschikt dan andere sneller maar korter werkende NSAID.

Het advies om Gambaran 's avonds te gebruiken vinden we terug in de bijsluiter.  De motivatie van dit advies en het al dan niet relatief belang daarvan kunnen we bijgevolg best laten toelichten door de firma, die Gambaran in België op de markt brengt. Hieronder letterlijk het antwoord dat we mochten ontvangen, met dank aan Meda Pharma.

"Gambaran is een NSAID dat  speciaal ontwikkeld is om de gastro-intestinale nevenwerkingen zoveel als mogelijk uit te sluiten. Dit kan doordat Gambaran een prodrug is, niet-zuur en bovendien géén enterohepatische circulatie ondergaat. In concreto wil dit zeggen dat bij inname  van Gambaran het product inactief blijft tot het gemetaboliseerd wordt in de lever en pas dan actief wordt.

Een uitgesproken analgetisch / anti-inflammatoir effect bij vrijwilligers werd vastgesteld 4u na toediening.
Omdat Gambaran 24 u werkt én veiliger is gebleken op gastro-intestinaal vlak stellen we het vooral voor in de chronische setting, dus bij artrose patiënten, reumatoïde arthritis patiënten. Deze mensen leven dag in, dag uit met pijn en opflakkeringen van ontstekingen. Er bestond eigenlijk geen enkel NSAID dat veilig genoeg was voor gebruik op lange termijn. Gambaran kan dit dus wel.

Gambaran beschikt over studies waar patiënten gedurende 8 jaar dag dagelijks behandeld zijn met Gambaran, zonder problemen.

We stellen in deze context dus voor om Gambaran ’s avonds in te nemen, bij het slapengaan. Van dan af kunnen we rekenen op een 24u durende werking, waar het effect het grootst is in de ochtend en voormiddag. Het effect op gewrichtspijn, ochtendstijfheid, gevoeligheid, zwelling, is dan optimaal. Dit zijn de klachten waar de patiënt ook meestal mee te maken heeft.

Dus de inname van Gambaran s’ avonds voor het slapen gaan, is puur gelinkt aan het prodrug- mechanisme én de 24u werking. Uiteraard kan Gambaran ook in de acute setting gebruikt worden, maar omwille van het prodrug mechanisme, niet écht ideaal. Er zijn andere NSAIDs op de markt die sneller werken gedurende korte termijn."

Referenties: 

[1] Bannwarth B., Safety of the nonselective NSAID nabumetone : focus on gastrointestinal tolerability, Drug Saf. 2008;31(6):485-503.

Auteur:
Karoline BLONDEEL
Product manager analgesics
S.A. Meda Pharma N.V.

Datum laatste actualisatie: 22 november 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Nabumeton

Expert: 
lucls5261
Inhoud syndiceren