Skip to Content
Het weinige onderzoek dat hierover is gebeurd heeft voor geen enkel van de B-vitaminen kunnen aantonen dat het gebruik ervan muggen kan afstoten.

Het advies om vitamine B te gebruiken om muggen op afstand te houden vinden we vooral in de populaire media. In sommige B-vitamines zit zwavel dat de lichaamsgeur zou veranderen, waardoor we niet meer aantrekkelijk zouden zijn voor muggen. Er is niet veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen vitamine B en muggenbeten, maar het onderzoek dat wél is uitgevoerd, heeft geen verband kunnen aantonen.

Referenties: 

[1] Ives AR, Paskewitz SM et al, Testing vitamin B as a home remedy against mosquitoes, J Am Mosq Control Assoc. 2005 Jun;21(2):213-7.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 19 februari 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Maatregelen tegen muggenbeten

Expert: 
lucls5261
Aspirine heeft normaal gezien geen plek in de preventie van veneuze trombo-embolie (VTE). Als er al nood tot tromboprofylaxe bij deze patiënte zou zijn, zou die zich in de regel beperken tot steunkousen of heparines met laag moleculair gewicht (LMWH).

Factor V Leiden is een afwijkende vorm van een van de eiwitten die de bloedstolling regelen. De term wordt ook wel gebruikt voor de aandoening die hier het gevolg van is. Bij deze aandoening is een puntmutatie opgetreden in het gen voor stollingsfactor V. Bij iemand die heterozygoot is voor factor V Leiden bestaat er een licht verhoogde neiging tot bloedstolling (congenitale trombofilie met laag risico), bij iemand die homozygoot is voor de factor is die neiging vele malen groter (congenitale trombofilie met hoog risico) [1].

De vraagsteller citeert in een toelichting nog het volgende [2]

"Volgens de BSHT (Belgian society for haemostasis and thrombosis) is er bij een patiente zonder diepe veneuze trombose (DVT) maar heterozygoot voor Factor V Leiden (= trombofilie met laag risico) geen nood aan preventieve maatregelen. Indien wel voorgeschiedenis van DVT: heparines met laag moleculair gewicht (LMWH) opstarten. Wat kan dan het nut zijn van Aspirine® in deze case, gezien het mogelijke gevaar tijdens de zwangerschap?"

We legden de vraag voor aan een deskundige van het UZ-Gasthuisberg Leuven, die de volgende repliek bezorgde [3]:

"Ik ga akkoord met het voorstel. De ACCP-richtlijnen (American College of Chest Physicians) stellen dat indien er geen voorgeschiedenis is van (DVT) maar de patiënt wel heterozygoot drager is van factor V Leiden, er geen standaard profylaxe nodig is. Wel is ante/postpartum klinische vigilantie (graad 2C) vereist.

Aspirine® heeft normaal gezien geen plek in de preventie van veneuze trombo-embolie (VTE). Tijdens de zwangerschap kan en mag Aspirine® gebruikt worden in lage dosis indien dwingende indicatie (typevoorbeeld: acuut coronair syndroom (ACS) in de voorgeschiedenis). Net voor de bevalling zou het wellicht best gestopt worden wegens impact op ductus arteriosus (te beslissen op individuele basis).

Als er al nood tot tromboprofylaxe bij deze patiënte zou zijn, zou die zich in de regel beperken tot steunkousen of heparines met laag moleculair gewicht (LMWH).

In deze casus ga ik er dus van uit dat er geen enkel andere dwingende reden tot profylaxe is."

Referenties: 

[1] Wikipedia

[2] Anoniem, Preventie van veneuze trombo-embolie bij zwangere vrouwen, Aanbevelingen van de "Thrombosis Guidelines Group of the Belgian Society on Thrombosis and Haemostasis and the Belgian Working Group on Angiology" , Update 2009

[3] L. Van der Linden, klinische Apotheker in het Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg, persoonlijke communicatie 27 september 2012.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 2 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Acetylsalicylzuur

Expert: 
lucls5261
De werkzaamheid van goede Hypericum-preparaten bij depressie werd reeds door meerdere klinische studies aangetoond. Wat betreft het gebruik van tryptofaan in deze context zijn de klinische gegevens eerder tegenstrijdig. Indien via de voeding voldoende tryptofaan-aanvoer wordt verzekerd valt er weinig heil te verwachten van bijkomende suppletie.

De werkzaamheid van goede Hypericum-preparaten bij depressie werd reeds door meerdere klinische studies aangetoond en kan als effectief worden beschouwd. Hierbij functioneren deze preparaten vnl. als SSRI's.
Het gebruik van tryptofaan steunt op de omzetting ervan via 5-hydroxytryptofaan naar serotonine. Die zou de verlaagde serotonine-activiteit moeten corrigeren die dikwijls wordt geassocieerd met depressies.

Wat betreft het gebruik van tryptofaan in deze context zijn de klinische gegevens veel minder eenduidig dan voor Hypericum en eerder tegenstrijdig. Daarnaast kan je je de vraag stellen wat het nut is van bijkomende suppletie bij inname van een normale dagelijkse voeding. Indien via deze laatste voldoende tryptofaan-aanvoer wordt verzekerd valt er weinig heil te verwachten van bijkomende suppletie. Bovendien zal, zoals hierboven gezegd het St. janskruid preparaat reeds rechtstreeks op de verminderde serotonine activiteit inwerken.

Referenties: 

[1] Farmamozaiek, De serotonineprecursoren: tryptofaan en 5-hydroxytryptofaan

Auteur:
 

Prof. Dr. K. Demeyer
VUB - FAFY
Laarbeeklaan 103,
B-1090 Jette.

Datum laatste actualisatie: 25 februari 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): De serotonineprecursoren: tryptofaan en 5-hydroxytryptofaan

Expert: 
expert
Preventie door bescherming tegen zonlicht en aandacht voor de triggers volstaan meestal om zonneallergie in te perken. Orale antihistaminica, corticoïdencrèmes , fototherapie al dan niet in combinatie met psoralenen, antimalariamiddelen en bètacaroteen vormen het gangbaar behandelingsarsenaal. Over het nut van nicotinamide valt nagenoeg niets te lezen. Een enkele gunstige studie van jaren geleden wordt door een andere uit dezelfde tijd tegengesproken. Een recente persoonlijke getuigenis op een internetforum is het zeldzame motief om het misschien toch eens proberen aan een aanvangsdosis van 1g/dag of meer.

Zonneallergie is een immuunrespons op zonlicht. Lichaamseigen bestanddelen in dehuid, die onder invloed van de zon een chemische omzetting ondergaan, zouden als gevolg daarvan plots als lichaamsvreemd worden aanzien en de afweer op gang brengen.  De symptomen verschijnen binnen 20 minuten tot enkele uren na het begin van de blootstelling.  Een jeukende, rode huiduitslag verschijnt op plaatsen, die aan zonlicht werden blootgesteld, de halsstreek vooraan,  de handruggen,  op onderarmen en onderbenen. In meer ernstige gevallen kunnen ook de bedekte huiddelen aangetast worden of is er sprake van netelroos en blaarvorming.

Polymorfe lichteruptie  is de meest verspreide vorm van zonneallergie, maar er bestaan ook andere verwante aandoeningen.  Ook medicatie of huidcontact met planten kunnen de oorzaak zijn. Sommige vormen zijn wellicht erfelijk.

Preventie van symptomen bestaat erin de huid te beschermen door de blootstelling aan zonlicht te beperken, afdekkende kledij te dragen, zonnecrèmes met hoge beschermingsfactor aan te brengen en aandacht te hebben voor de triggers. Soms kunnen deze maatregelen al  volstaan. Bijkomend kan een koelend effect de jeuk doen afnemen door gebruik van koude compressen of een verstuiving van zuiver water op de aangetaste huid.

Orale antihistaminica  en corticoïdencrèmes zijn een volgende stap. Nog een stap verder gaat de  desensibilisatie met fototherapie, eventueel in combinatie met psoralenen (PUVA). Tenslotte horen ook  antimalariamiddelen (hydroxychloroquine) en bètacaroteen tot het mogelijk behandelingsarsenaal, mochten de andere niet volstaan.

Over het algemeen evolueert een zonneallergie gunstig, voornamelijk door de preventieve maatregelen, zeker als de oorzakelijke factor goed is geïdentificeerd en kan worden gemeden.

Over het nut van nicotinamide valt nagenoeg niets te vinden. We moeten terug tot 1986 om een pilootstudie te vinden, waarbij 42 patiënten met polymorfe lichteruptie gedurende 2 weken dagelijks 3g nicotinamide kregen. 25 patiënten (60%) hadden geen symptomen meer, ondanks bewuste blootstelling aan zonlicht. Een studie, 2 jaar later, op 14 patiënten kon dit echter niet bevestigen. Een recent persoonlijk verhaal kunnen we lezen op dit forum van de Universiteit Gent. Daaruit blijkt een persoon zeer goed geholpen te zijn met af en toe een dosis nicotinamide. In de discussie met een ander persooon die blijkbaar geen baat ondervindt, adviseert hij voldoende hoge doses te gebruiken, tot 1 gram per dag (10 tabletten Ucemine PP). Qua bewijskracht stelt dit niets voor, maar zelfs al wordt er maar één persoon geholpen, het blijft een poging waard.

Referenties: 

[1] http://www.mayoclinic.com/health/sun-allergy/DS01178

[2] http://www.intelihealth.com/IH/ihtIH/WSIHW000/9339/25934.html

[3] http://www.patient.co.uk/health/Polymorphic-Light-Eruption.htm

[4] Neumann R, Rappold E, Pohl-Markl H. Treatment of polymorphous light eruption with nicotinamide: a pilot study. Br J Dermatol. Jul 1986;115(1):77-80.

[5] Ortel B, Wechdorn D, Tanew A, Hönigsmann H., Effect of nicotinamide on the phototest reaction in polymorphous light eruption., Br J Dermatol. 1988 May;118(5):669-73.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 21 januari 2013

Expert: 
lucls5261
Meer dan waarschijnlijk is dit preparaat bedoeld voor de behandeling van vulvodynie. In één studie werden 51 vrouwen met vulvodynie behandeld met gabapentine crème. 35 vrouwen bleken een significante pijnverlichting te hebben ervaren. 28 vrouwen ondervonden meer dan 50% pijnreductie.

Meer dan waarschijnlijk is dit preparaat bedoeld voor de behandeling van vulvodynie.

Vulvodynie is een weinig bekend, maar bijzonder vervelend chronische pijnsyndroom dat vooral vrouwen tussen 20 en 40 jaar oud treft. Het is een verzamelbegrip gekenmerkt door jeuk, een branderig gevoel, roodheid, pijn of irritatie in en rond de vagina, de schaamlippen en de clitoris. Van vulvodynie wordt gesproken als er geen directe andere oorzaak (o.a.. infectie, ontsteking ..) gevonden wordt. Sommige patiënten hebben er alleen last van tijdens het vrijen, bij andere patiënten is de pijn zo hevig dat de kleinste aanraking al voor irritatie of pijnscheuten kan zorgen. Het welbevinden is soms ernstig verminderd [1].

Een eerste keuzebehandeling tegen vulvodynie bestaat niet. Naast lokale crèmes tegen huidirritatie en bekkenbodemoefeningen worden antidepressiva met wisselend succes ingezet om de pijnsymptomen te verminderen. De anti-epileptica gabapentine or pregabaline worden daarbij ingezet in een ondersteunende rol. Een chirurgische ingreep waarbij de vagina wordt vergroot en/of de geïrriteerde huid wordt weggesneden geldt als uiterste redmiddel.

De rol van tricyclische antidepressiva en anti-epileptica bij de behandeling van chronische zenuwpijnen staat vast. [2]. Vandaar komt wellicht de inspiratie om dit middel ook uit te proberen bij de behandeling van vulvodynie.

Oraal gabapentine is werkzaam gebleken om pijnsymptomen te verminderen bij patiënten, die lijden aan gegeneraliseerde vulvodynie [3]. Bij 64% van 152 geïncludeerde patiënten verdwenen tenminste 80% van de pijnsymptomen tijdens de studieperiode. Bij 32% was de behandeling onvoldoende werkzaam.

In één studie werden 51 vrouwen met vulvodynie behandeld met 2%, 4% of 6% gabapentine crème [4]. Ze werden geinstrueerd om 3 maal per dag 0,5 ml (ter grootte van een erwt) in de vagina te smeren. Na 8 weken werd de pijn geevalueerd op een pijnscore en bleken 35 vrouwen een significante pijnverlichting te hebben ervaren. 28 vrouwen ondervonden meer dan 50% pijnreductie.
 

De globale ervaring is bijgevolg beperkt. De lokale behandeling met gabapentine is evenwel (nog?) geen standaardbehandeling [5,6], die deel uitmaakt van vaste behandelingsrichtlijnen.

Referenties: 

[1] Info over vulvodynie: http://www.huidinformatie.be/vulvodynie.html

[2] Leyssens L., Qbox-vraag 221: Bestaat er een therapie 'ladder' voor de behandeling van neuropathische pijn die artsen kunnen volgen? , december 2011.

[3] Harris G, Horowitz B, Borgida A., Evaluation of gabapentin in the treatment of generalized vulvodynia, unprovoked., J Reprod Med. 2007 Feb;52(2):103-6.

[4] Boardman LA, Cooper AS, Blais LR, Raker CA., Topical gabapentin in the treatment of localized and generalized vulvodynia, Obstet Gynecol. 2008 Sep;112(3):579-85.

[5] Laurie Barclay, MD, Guidelines for Management of Vulvodynia Issued, Medscape Pharmacists Education august 2011.

[6] Nunns D, Mandal D, Byrne M, McLelland J, Rani R, Cullimore J, Bansal D, Brackenbury F, Kirtschig G, Wier M; British Society for the Study of Vulval Disease, Guidelines for the management of vulvodynia, Br J Dermatol. 2010 Jun;162(6):1180-5.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 28 augustus 2012

Expert: 
lucls5261
Ter preventie of bij milde luierdermatitis, volstaat het gebruik van degelijk absorberende wegwerpluiers in combinatie met Zn-oxide bevattende crème of pasta. Over het gebruik van water als reinigingsmiddel bestaat discussie. Zachte, met emulgerende lotion geïmpregneerde reinigingsdoekjes zouden volgens voorstanders de voorkeur wegdragen omdat ze vetachtige bestanddelen uit de stoelgang beter zouden verwijderen. Benadruk in ieder geval de noodzaak om klassieke zepen te mijden. Wanneer de luieruitslag matig tot ernstig is, reeds meer dan 3 dagen aanhoudt of de baby een antibioticum krijgt toegediend, dan is het verstandig te kiezen voor een antifungaal middel. Bij aanhoudende of ernstige dermatitis is het zeker aangewezen de patiënt door te verwijzen naar arts/pediater.

Luieruitslag of luierdermatitis houdt heel wat diverse pathologieën in. Het spreekt dan ook voor zich dat de behandeling afhankelijk zal zijn van de ernst van de dermatitis, alsook van de oorzaak ervan.
De meest voorkomende, primaire vorm van luierdermatitis is de klassieke niet-allergische en niet-infectieuze dermatitis, die vooral wordt veroorzaakt door een te lange blootstelling aan vocht, wrijving, urine- en stoelgangsbestanddelen (o.a. proteasen en lipasen). Dit alles brengt de barrièrefunctie van het stratum corneum van de huid in het gedrang, waardoor de huid makkelijker vatbaar is voor irritatie en indringing van chemicaliën en/of pathogenen.
Zeker Candida species, vooral (maar niet uitsluitend) Candida albicans, worden vaak aangetroffen in geval van luierdermatitis.

Uiteraard is het niet evident na te gaan of het werkelijk om een Candida-infectie gaat. Er is wellicht sprake van een Candida-infectie bij aanwezigheid van scherp begrensd erytheem (roodheid van de huid) met satellietvormige pustels en schilfervorming. In bepaalde studies en richtlijnen vinden we terug dat men mag uitgaan van een Candida-infectie wanneer de dermatitis 72 uur of langer aanhoudt. Zeker in geval van matige tot ernstige luierdermatitis doet men er goed aan een Candida-behandeling op te starten.
Ook het gebruik van antibiotica bij zuigelingen verhoogt de kans op een Candidakolonisatie. Dit werd in onderzoek vooral aangetoond na amoxicillinegebruik, maar wellicht geldt dit voor elk breedspectrum antibioticum.

 

Alle richtlijnen en reviews komen tot gelijkaardige behandelingsstappen:

In concreto:

In eerste instantie, ter preventie of bij milde luierdermatitis, volstaat het om de cliënt aan te raden gebruik te maken van degelijk absorberende wegwerpluiers in combinatie met Zn-oxide bevattende crème of pasta.

Over het gebruik van water als reinigingsmiddel bestaat discussie. Sommigen raden vooral reiniging met water aan om extra irritatie door zepen of parfums te vermijden, anderen onderstrepen dan weer het belang van zachte, met emulgerende lotion geïmpregneerde reinigingsdoekjes, aangezien water alleen niet in staat is om vetachtige bestanddelen uit de stoelgang voldoende te verwijderen. Goede reinigingsdoekjes bevatten daarenboven vaak verzachtende en helende bestanddelen zoals kamille, aloë of panthenol. Onderstreep in je advies het belang van de juiste doekjes om extra irritatie te vermijden en tracht je cliënt te overtuigen ze in de apotheek aan te schaffen om kwaliteit te garanderen. Benadruk in ieder geval de noodzaak om klassieke zepen te mijden.

Wanneer de luieruitslag matig tot ernstig is, reeds meer dan 3 dagen aanhoudt of de baby een antibioticum krijgt toegediend, dan is het verstandig te kiezen voor een antifungaal middel. Daktozin® biedt hierbij het voordeel dat miconazole toegevoegd is aan een zinkpasta. De effectiviteit en veiligheid van miconazole werd duidelijk aangetoond. Systemische absorptie blijkt minimaal, ook bij gebruik gedurende meerdere dagen. Hiermee rekening houdende is er niet echt iets op tegen om tijdens antibioticagebruik desnoods preventief te kiezen voor Daktozin®.

Eosine 2% zou effectief zijn omwille van het opdrogend effect. Echter, niet elke richtlijn neemt dit product mee op in het advies. Eosine kleurt daarenboven de letsels, waardoor een interpretatie van de kleur en ernst wordt bemoeilijkt, met gevaar voor het niet tijdig inschatten van impetigo.

Topische vormen van vitamine A worden in adviezen niet opgenomen. Elke review besluit dat er te weinig evidentie pro of contra is om lokaal vitamine A te weerhouden in de  behandeling of preventie van luierdermatitis.

Bij aanhoudende of ernstige dermatitis is het zeker aangewezen de patiënt door te verwijzen naar arts/pediater. Luierdermatitis kan evengoed van secundaire aard zijn en een teken zijn van een onderliggende aandoening (vb. herpes, psoriasis, HIV infectie, biotine-tekort, ziekte van Kawasaki….).
Wees zeker ook beducht op impetigo-infecties door Staphylococcus aureus, wat frequenter zou optreden gedurende de eerste 6 levensmaanden en tijdens de lente en zomer. Bij een vermoeden is doorverwijzing absoluut noodzakelijk.
Laat de keuze van een antibioticum- of cortisonebevattende zalf over aan de arts! Het gaat per slot van rekening over zeer jonge kinderen.

Referenties: 
  • Adam R. Skin care of the diaper area. Pediatric Dermatology 2008; 25 (4): 427-433.
  • Anonymus, Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium 2012; www.bcfi.be
  • Anonymus, Productinformatie – FAGG website
  • Baer EL, Davies MW & Easterbrook KJ. Dsposable nappies for preventing napkin dermatitis in infants. Cochrane Database Syst Rev 2006; 19 (3): CD004262.
  • Concannon P. et al. Diaper dermatitis: a therapeutic dilemma. Results of a double-blind placebo controlled trial of miconazole nitrate 0,25% Pediatric Dermatology 2000; 18 (2): 149-155.
  • Davies MW, Dore AJ & Perissinotto KL. Topical Vitamin A, or its derivates, for rating and preventing napkin dermatitis in infants. Cochrane Database Syst Ev 2005; 19 (4): CD004300
  • Draijer LW & Folmer H. NHG-standaard luierdermatitis.
  • Eichenfield LF & Bogen ML. Absorption and efficacy of miconazole nitrate 0,25% ointment in infants with diaper dermatitis. J Drugs Dermatol 2007, 6 (5): 522-526.
  • Ravanfar P, Wallace JS & Pace NC. Diaper dermatitis: a review and update. Curr Opinion Pediatr 2012; 24 (4): 472-9.
  • Scheinfeld N. Diaper dermatitis. A review and brief survey of eruptions of the diaper area. Am J Clin Dermatol 2005; 6 (5): 273-281.
  • Spraker MK et al. Topical miconazole nitrate ointment in the treatment of diaper dermatitis complicated by candidiasis. Cutis 2006; 77 (2): 113-20.

 

Auteur:
 

Lies Leemans

Datum laatste actualisatie: 11 oktober 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Luiereczeem

Expert: 
liels4316
Het nut van yoghurt bij de preventie van antibiotica geïnduceerde diarree (AGD) is niet onomstotelijk vastgesteld, maar het gebruik van yoghurt lijkt inderdaad weinig nadelen te hebben indien de combinatie met bepaalde chinolonen of tetracyclines vermeden wordt. In verband met probiotica stelt een recente systematische review dat het preventief gebruik van probiotica het risico op AGD reduceert. Maar de auteurs besluiten ook dat er verder onderzoek nodig is om te bepalen welke probiotica nuttig zijn, welke dosis moet gebruikt worden, en welke patiënten er baat bij hebben. Er zijn geen studies beschikbaar die het preventief nut van yoghurt en van probiotica met elkaar vergelijken.

Evidentie voor yoghurt bij de preventie van AGD

In onze literatuurzoektocht vonden we slechts 3 studies naar het nut van yoghurt bij de preventie van AGD. In een onderzoek van Beniwal et al. (2003) [1], uitgevoerd bij 202 ziekenhuispatiënten bij wie een antibioticum werd opgestart, kreeg de controlegroep (n=97) geen yoghurt, terwijl de interventiegroep (n=108) bioyoghurt toegediend kreeg (2 x daags 227g yoghurt die L. acidophilus, L. delbrueckii subspecies bulgaricus, en S. thermophilus bevat). Patiënten die yoghurt kregen, rapporteerden minder vaak diarree (12% vs 24% in de controlegroep).

Hickson et al. (2007) [2] voerden een gerandomiseerde dubbelblinde, placebo-gecontroleerde studie uit bij 135 ziekenhuispatiënten die antibiotica namen (66 in de placebogroep en 69 in de interventiegroep). Zij concludeerden dat het drinken van een yoghurtdrank (2x daags 100g) die L. casei, L. bulgaricus en S. thermophilus bevat, de incidentie van AGD en C. difficile-geassocieerde diarree kan reduceren (12% van de patiënten rapporteerde AGD in de interventiegroep t.o.v. 34% in de placebogroep).

Daarentegen konden Conway et al. (2007) [3] geen effect aantonen van yoghurt (1x daags 150ml) op AGD. In hun onderzoek, uitgevoerd bij 369 patiënten in de eerstelijnszorg, was er 1 controlegroep (n=120) en 2 interventiegroepen. De ene interventiegroep kreeg bioyoghurt die S. thermophilus, L. acidophilus en Bifidobacteria anamalis lactus bevat; de andere groep kreeg een commerciële yoghurt die enkel S. thermophilus bevat.

Het nut van yoghurt bij de preventie van AGD is dus niet onomstotelijk vastgesteld, maar het gebruik van yoghurt lijkt weinig nadelen te hebben indien de combinatie met bepaalde chinolonen of tetracyclines vermeden wordt.

Evidentie voor probiotica bij AGD

In een recente systematische review en meta-analyse van Hempel et al. (2012) [4] werden 82 RCT’s bekeken die handelden over probiotica voor preventie of behandeling van AGD. De meesten van deze interventies werden uitgevoerd met Lactobacillus alleen of in combinatie met andere genera. De auteurs concludeerden dat het preventief gebruik van probiotica geassocieerd is met een reductie in het risico op AGD, maar dat verder onderzoek nodig is om de efficaciteit van de verschillende probiotische interventies te bepalen, alsook hun optimale dosering en de efficaciteit bij verschillende patiëntenpopulaties (in het bijzonder bij de oudere populatie).

Vergelijkende studies?

Een zoektocht in de wetenschappelijke literatuur naar vergelijkende studies leverde niets op. Er zijn (nog) geen studies voorhanden die het effect van yoghurt op AGD vergelijken met het effect van probiotische preparaten op AGD.

Referenties: 

[1] Beniwal RS, Arena VC, Thomas L, et al. A randomized trial of yogurt for prevention of antibiotic-associated diarrhea. Digestive Diseases and Sciences 2003;48:2077-2082.

[2] Hickson M, D'Souza AL, Muthu N, et al. Use of probiotic Lactobacillus preparation to prevent diarrhoea associated with antibiotics: randomised double blind placebo controlled trial. British Medical Journal 2007;335:80-83.

[3] Conway S, Hart A, Clark A, et al. Does eating yogurt prevent antibiotic-associated diarrhoea? A placebo-controlled randomised controlled trial in general practice. Br J Gen Pract 2007;57:953-959.

[4] Hempel S, Newberry SJ, Maher AR, et al. Probiotics for the Prevention and Treatment of Antibiotic-Associated Diarrhea A Systematic Review and Meta-analysis. Jama-Journal of the American Medical Association 2012;307:1959-1969.

Auteur:
Apr. Elke Joos
Prof. Dr. Apr. Koen Boussery
Eenheid voor Farmaceutische Zorg,
Faculteit Farmaceutische Wetenschappen, UGent

Datum laatste actualisatie: 27 september 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend onderwerp: Probiotica

Expert: 
koeby2662
Een reactie op benzoëzuur en zijn zouten berust op een niet-immunologisch mechanisme en is dus een pseudo-allergene reactie. Hoewel we het nergens in letterlijke bewoordingen konden lezen mogen we er van uitgaan dat bij een benzoaat-gevoelige patiënt ook andere benzoëzuurderivaten een gelijkaardige reactie zullen uitlokken. Dit geldt a fortiori voor de zouten van benzoëzuur zelf, waartussen het onderscheid in feite volledig vervaagt van zodra ze in de circulatie zijn opgenomen en de zuur-zoutverhouding door de pH van het bloed bepaald wordt.

Benzoaten

De literatuur vermeldt unaniem dat een reactie op benzoëzuur en zijn zouten berust op een niet-immunologisch mechanisme en dus een pseudo-allergene reactie is. Een afzonderlijk bespreking van benzoëzuur enerzijds en natriumbenzoaat anderzijds werd daarbij niet gevonden. In de dieetlijsten worden de benzoaten gezamenlijk als een te mijden groep beschouwd. Hiermee worden dan  niet alleen benzoëzuur en zijn natrium-, kalium en calciumzouten bedoeld, maar ook de methyl-, ethyl- en propylesters van p-hydroxybenzoëzuur (parabenen) en hun resp. natriumzouten. Ook benzylalcohol, dat metabool in benzoëzuur wordt omgezet, mag daar bij worden gerekend.

Benzoëzuur, benzoaten en benzoëzuur-esters komen voor in de meeste soorten fruit, vooral in bessen. Met name veenbessen bevatten erg veel benzoëzuur. Behalve in fruit komen benzoaten ook voor in champignons, kaneel, kruidnagel en zuivelproducten. Benzoëzuur of natriumbenzoaat worden als pH-regelaar en als preservatief toegevoegd aan diverse cosmetica. Benzylalcohol wordt in cosmetische formulaties aangetroffen als een aromatisch onderdeel van parfums, als preservatief, als solvent en als viscositeitsverlagend agens [1].

Pseudo-allergene reacties op benzoaten zijn zeldzaam bij gezonde personen maar bij personen die frequent last hebben van urticaria of die aan astma lijden, kunnen sneller symptomen van exacerbatie worden waargenomen. Een gebruik van 5 mg/kg lichaamsgewicht wordt als veilig beschouwd. Bij atopiepatiënten kunnen nochtans lagere dosissen benzoëzuur of natriumbenzoaat  al reacties uitlokken. Milde huidreacties kunnen zelfs ook al bij dermaal contact, wat.bij gezonde personen zeer zeldzaam is [2]. Voorzichtigheid is wel geboden bij kinderen die een dergelijke reactie vertonen, zeker wanneer ze  benzoaten bevatten orale geneesmiddelen zouden gaan gebruiken [1, 3].

Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat er een verband wordt vermoed tussen benzoaten en orofaciale granulomatose, een zeldzame chronische ontsteking van de lippen, gelaat en mond. Voornaamste kenmerk van deze aandoening is zwelling van vooral de lippen, soms ook van de rest van het gelaat. De ziekte wordt veroorzaakt door een chronische ontsteking met vooralsnog onbekende oorzaak, maar waarvan men vermoedt dat ze een allergische component omvat. Verbeteringen van de symptomen werden gerapporteerd met kaneelzuur- en benzoaatvrije diëten [4]. Hoewel de oorzaak onbekend blijft is er enige evidentie voor de oorzakelijke betrokkenheid van dieetbestanddelen [5].

Wat is pseudo-allergie?

Er is sprake van pseudo-allergie wanneer een lichaamsvreemde stof dezelfde klachten veroorzaakt als bij een echte allergie, maar dan zonder tussenkomst van het afweersysteem: huiduitslag (urticaria, netelkoorts), zwellingen in het gelaat (angio-oedeem) of neusklachten (neusloop, niezen, neusverstopping). Pseudo-allergenen kunnen een bestaande allergische aandoening zoals astma of eczeem verergeren. Bij allergie komt mestceldegranulatie en de daarop volgende vrijgave van ontstekingsmediatoren tot stand na binding van allergeenspecifieke  IgE-antistoffen aan de mestcel. Bij een pseudo-allergie gebeurt deze vrijlating door rechtstreekse inwerking op de mestcel [6].

Eerder uitzonderlijk blijft pseudo-allergie beperkt tot één product zoals bijvoorbeeld alleen acetylsalicylzuur. Meestal is de reactie tegen een hele groep er al van bij het begin, ook al  komt de omvang ervan pas later tot uiting. Uitbreidingen in de tijd zijn zeldzaam.  Zo zijn bijvoorbeeld mensen met pseudo-allergie tegen NSAID meestal pseudo-allergisch voor alle NSAID's en hebben ze bovendien 30 % kans om ook pseudo-allergie te vertonen tegen kleurstoffen en bewaarmiddelen. 

Uitlokkende stoffen

Vele geneesmiddelen en bestanddelen uit de voeding kunnen pseudo-allergische reacties uitlokken, bij oraal gebruik maar bijvoorbeeld maar ook door inademen. Ook contactreacties zoals erytheem en jeuk zijn mogelijk bij lokaal contact.

  • Kleurstoffen in snoep, voedingswaren en geneesmiddelen.
  • Bewaarmiddelen 
    Benzoëzuur in vele voedingswaren, siropen, limonades …
    Sulfieten en metasulfieten in vlees, geneesmiddelen, rode wijn …
  • Smaakversterkers
    Glutaminezuur en glutamaten in bouillonblokjes, chinese en indische gerechten.
  • De natuurlijke afbraakproducten van eiwitten
    Histamine en tyramine in onverse makreel en tonijn, gegiste kazen, worsten, bepaalde conserven, wijnen…

Vaak lukt het niet om de uitlokkende stof te vinden.  Op zijn minst vraagt het nauwgezet zoekwerk. Huidtesten en bloedanalysen zijn waardeloos bij pseudo-allergie. Ook is het testen van meerdere stoffen tegelijk bij pseudo-allergie onmogelijk. De patiënt moet elke verdachte uitlokkende stof apart innemen om zijn reactie daarop te kunnen waarnemen. Dit vergt ook de nodige urgentievoorzieningen, gezien de kans op shock niet denkbeeldig is. Anderzijds is het niet te voorspellen wanneer de reactie komt en bij welke dosis. Soms zijn de dagdagelijkse problemen van de patiënt immers het gevolg van een cumulatief effect van één en dezelfde uitlokkende stof, aanwezig in meerdere voedingsmiddelen tegelijk, of van meerdere uitlokkende stoffen, die al dan niet toevallig samen worden ingenomen. Een pseudo-allergische reactie vereist trouwens grotere hoeveelheden uitlokkende stof dan een allergische reactie, die zich al bij een minimale dosis manifesteert. Zo kan het eten van gekleurd roomijs gevolgd door het drinken van limonade een reactie uitlokken terwijl de veirschijnselen uitblijven indien dezelfde roomijs of limonade afzonderlijk gebruikt worden. Tenslotte speelt ook de gezondheidstoestand van de patiënt een rol. Bij verkoudheid is het immuunsysteem meer actief en kan pseudo-allergie sterker tot uiting komen [7].

Ondermeer de dienst allergie en klinische immunologie van de UZ-Leuven stelt dieetinstructies ter beschikking voor een pseudo-allergeenvrij dieet, bedoeld voor patiënten bij wie pseudo-allergische reacties worden vermoed.  Naast de lijst van verboden E-nummers (kleurstoffen, bewaarmiddelen, glutamaten) zijn ook de specifieke voedingsmiddelen vermeld die verboden zijn. Alle  instructies van dit dieet moeten gedurende minstens 3 weken strikt gevolgd worden. Nadien kan dan beslist worden of en hoe het dieet verder moet gevolgd worden [8].

Conclusie

Hoewel we het nergens in letterlijke bewoordingen konden lezen mogen we er van uitgaan dat bij een benzoaat-gevoelige patiënt ook andere benzoëzuurderivaten een gelijkaardige reactie zullen uitlokken. Dit geldt a fortiori voor de zouten van benzoëzuur zelf, waartussen het onderscheid in feite volledig vervaagt van zodra ze in de circulatie zijn opgenomen en de zuur-zoutverhouding door de pH van het bloed bepaald wordt.

Referenties: 

[1] Nair B., Final report on the safety assessment of Benzyl Alcohol, Benzoic Acid, and Sodium Benzoate., Int J Toxicol. 2001;20 Suppl 3:23-50

[2] Wibbertmann A., Kielhorn J., Koennecker G., Mangelsdorf I., and Melber C., Benzoic acid and sodium benzoate, World Health Organization 2000 Concise International Chemical Assessment Document 26, ISBN 92 4 153026.

[3] Mori F, Barni S, Pucci N, Rossi ME, de Martino M, Novembre E., Cutaneous adverse reactions to amoxicillin-clavulanic Acid suspension in children: the role of sodium benzoate., Curr Drug Saf. 2012 Apr 1;7(2):87-91.

[4] Campbell HE, Escudier MP, Patel P, Challacombe SJ, Sanderson JD, Lomer MC., Review article: cinnamon- and benzoate-free diet as a primary treatment for orofacial granulomatosis., Aliment Pharmacol Ther. 2011 Oct;34(7):687-701. doi: 10.1111/j.1365-2036.2011.04792.x. Epub 2011 Aug 4.

[5] White A, Nunes C, Escudier M, Lomer MC, Barnard K, Shirlaw P, Challacombe SJ, Sanderson JD, Improvement in orofacial granulomatosis on a cinnamon- and benzoate-free diet., Inflamm Bowel Dis. 2006 Jun;12(6):508-14.

[6] Naamloos, Informatiefolder Pseudoallergie, www.huidarts.com 
 

[7] W. Stevens, Voordracht over voedselallergie en pseudoallergie, 22 mei 2002
 

[8] Naamloos, Pseudo-allergeenvrij dieet, Dienst Allergie en Klinische Immunologie van de UZ-Leuven 

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 18 oktober 2012

Expert: 
lucls5261
Pas bij het begin van de puberteit beginnen de zweetklieren, met name de klieren onder de oksels, te werken. Meestal zien wij dan ook dat jongeren pas ten vroegste rond de leeftijd van 12 jaar deodorants beginnen te gebruiken. Jongere kinderen zweten over het algemeen niet of nauwelijks. Anderzijds is er geen medische contra-indicatie gekend, noch een bepaalde leeftijdsgrens naar het plaatselijk gebruik van aluminiumzouten toe. Toxicologische data over aluminium in de literatuur hebben wel enkel betrekking op volwassenen.

We speelden de vraag door aan de firma's Vesale Pharma en Louis Widmer, waarna we de volgende antwoorden mochten ontvangen, die we hier letterlijk overnemen, met dank aan beide firma's.

Visie van Vesale Pharma

Dit is een niet veel voorkomend verschijnsel bij kinderen van die leeftijd. Jonge kinderen zweten over het algemeen niet of nauwelijks. Pas bij het begin van de puberteit beginnen de zweetklieren, met name de klieren onder de oksels, te werken. Onder invloed van de geslachtshormonen neemt de ontwikkeling en de productie van de zweetklieren toe. De zweetklieren gaan vocht en zouten afscheiden, wat in principe reukloos is. Door inwerking van bacteriën op het zweet ontstaat er een geur, die bij de een veel sterker is dan bij de ander.

Als jonge kinderen sterk onder de oksels zweten, is er heel soms sprake van een vervroegde puberteit: deze kinderen hebben soms al schaamhaar en okselhaar en bij meisjes kan er borstontwikkeling zijn. Dit is abnormaal voor het tiende jaar. Een specialist moet in dit geval nader onderzoek doen. Als er verder geen kenmerken van een vervroegde puberteit zijn, kan het in de aanleg van het kind zitten.

Meestal zien wij dan ook dat jongeren pas ten vroegste rond de leeftijd van 12 jaar deodorants beginnen te gebruiken. Met jongere kinderen hebben wij eigenlijk geen ervaring met Axitrans.

Ik heb nog even de ons beschikbare literatuur nagekeken, maar vind hier ook geen verdere aanwijzingen.
Empirisch zou ik aanraden om in dergelijke gevallen Axitrans voor gevoelige huid te gebruiken, gezien dit product veel minder irriterend werkt dan Axitrans clasic.

Over toxiciteit van aluminium in deo’s op jonge leeftijd heb ik verder geen info. Wij beschikken wel over voldoende literatuur en gepubliceerde data over aluminium en carcinogeniciteit en andere toxicologische data, maar dit is enkel bij volwassenen.

Ingezonden door: Johan Quintens, Vesale Pharma

Visie van Louis Widmer

Wij merken bij kinderen soms een vorm van hyperhidrose aan handen en voeten op. Dit kan problemen geven bij het schrijven (wat de handen betreft) en andere ongemakken (wat de voeten betreft).
Er is geen medische contra-indicatie gekend, noch een bepaalde leeftijdsgrens naar het plaatselijk gebruik van aluminiumzouten toe.

Het gebruik ervan is enkel gerechtvaardigd vanaf de puberteit, behalve in geval van specifieke pathologieën zoals eerder vermeld.

Ingezonden door: Elke De Munck, Louis Widmer

Referenties: 

[1] Vesale Pharma

[2] Louis Widmer
 

Datum laatste actualisatie: 28 augustus 2012

Expert: 
lucls5261
Ondanks de vele bijwerkingen lijkt kinine, bij gebrek aan veilige en werkzame alternatieven, een plaats te verdienen in de behandeling van nachtelijke krampen. In de praktijk reageren vele patiënten gunstig, terwijl andere geen effect ondervinden. Bij een dosis van 300 mg zijn mineure, ongewenste neveneffecten niet uitgesloten maar zware bijwerkingen zijn uitzonderlijk. De nodige voorzorgen worden getroffen om overdosering te vermijden.

Kinine bij spierkrampen

Kinine is een van de weinige stoffen waarvan het effect op spierkrampen meermaals in onderzoek werd aangetoond. Onder invloed van kinine verlaagt de prikkelbaarheid van de motorische eindplaat en vergroot de refractaire periode. Een recente Cochrane review bestudeerde 23 trials met in totaal 1586 deelnemers. Kinine werd vergeleken met placebo (20 studies, n = 1140), een kinine-vitamine E combinatie (3 studies, n = 510), een kinine-theofylline combinatie (1 studie, n = 77), en met xylocaïne injecties in de kuitspier (1 studie, n= 24). De gebruikelijke kininedosering bedroeg gemiddeld 300 mg/dag (200 - 500 mg).

In vergelijking, over een periode van twee weken, met placebo , reduceerde kinine significant het aantal krampen met 28%, de intensiteit van de krampen met 10% en het aantal dagen met krampen met 20%. De duur van de krampen werd evenwel niet significant beïnvloed.

Het aantal patiënten dat last had van mineure, voornamelijk gastrointestinale, bijwerkingen was significant groter in de kininegroep dan in de placebogroep (verschil in risico +3%, 95% confidentieinterval 0% - 6%). Meer ernstige bijwerkingen waren even zeldzaam in beide groepen. Een deelnemer in de kininegroep leed wel aan trombocytopenie.

De auteurs concluderen dat de meta-analyse van de 23 trials een evidentie van matige kwaliteit oplevert, die aantoont dat kinine de krampfrequentie, -intensiteit  en het aantal dagen met krampen verlaagt in doseringen tussen  200 en 500 mg/dag. Er is eveneens evidentie van matige kwaliteit dat aan deze doses de incidentie van ernstige bijwerkingen niet significant hoger is dan voor placebo gedurende  tenminste  60 dagen behandeling. De auteurs achten bijkomende studies nodig om een optimaal doseringsschema en -periode vast te stellen en om alternatieve  behandelingen te bestuderen [1].

Bijwerkingen en toxiciteit

Kinine heeft behoorlijk wat bijwerkingen. Daarenboven is het zeer teratogeen en mag het dus absoluut niet bij krampen tijdens de zwangerschap gebruikt worden. Dit alles maakt de toediening van hydrokinine of kininesulfaat omstreden!

De volgende bijwerkingen zijn gekend:

  • Cinchonisme: duizeligheid, oorsuizen,  hoofdpijn, rillingen;
  • Visusstoornissen bv. gestoorde kleurperceptie, fotofobie, nachtblindheid, wazig zien, diplopie en zelfs blindheid;
  • Gastro-intestinaal: bittere smaak, misselijkheid, maagpijn, braken, diarree;
  • Allergische reacties: pruritus, urticaria, dyspneu, blozen, astmatische symptomen;
  • Angio-oedeem en trombocytopenie;
  • Zelden : granulomateuze hepatitis, hypoglycemie, hypoprotrombinemie, acute intravasculaire hemolyse, hemolytisch uremisch syndroom, nierfalen, hartritmestoornissen, angineuze klachten.

De bijwerkingen zijn duidelijk gerelateerd aan de dosis. Talrijke fatale intoxicaties met kinine zijn beschreven.  Bij een ernstige intoxicatie treedt blindheid op binnen 9 uur. Verlies van gezichtsvermogen wordt geassocieerd met serumconcentraties hoger dan 10 µg/ml. De therapeutische range bedraagt 2 - 5 µg/ml. Bij een intoxicatie wordt het gezichtsvermogen slechts ten dele hersteld na opheffing van de oorzaak [2].

Die relatief kleine therapeutische marge vereist enkele voorzorgen om overdosering te vermijden, zeker bij risicopatiënten:

  • overweeg niet-medicamenteuze interventies, waar mogelijk (vb. strekoefeningen);
  • verlaag de dosis bij ouderen en bij nier- of leverinsufficiënte personen;
  • controleer of de patiënt de doseringsinstructies goed begrepen heeft of lever unidosisverpakkingen af;
  • beoordeel de mentale toestand van de patiënt en het eventuele zelfmoordrisico;
  • overweeg een oogonderzoek vóór de aanvang van de behandeling;
  • beoordeel werking en bijwerkingen na 4 weken behandeling;
  • stop de behandeling indien lasten/baten ongunstig uitvallen.

Malariabehandeling

Naast andere behandelingsopties, die de voorkeur genieten,  wordt kinine nog steeds toegepast voor de behandeling van acute malaria-infecties.  De aanbevolen dosering voor volwassenen is heel wat hoger dan deze toegepast bij spierkrampen: 500 mg om de 8 uur gedurende 4 dagen (= 1.5 g/dag). Zo de koorts traag daalt, neemt men de kinine best nadien nog enkele dagen langer in à rato van 500 mg  per 12 uur (1 g/dag). In Zuid-Oost-Azië en in het Amazonegebied dient men gedurende 7 dagen kinine in te nemen.  
Bijgevolg is het risico tot overdosering bij malaria iets groter dan bij gebruik tegen spierkrampen [3].

Conclusie

Concluderend mogen we dus stellen dat er bij de behandeling van sprierkrampen met kininesulfaat geen reden tot ongerustheid is, indien de aanbevolen dosis niet overschreden wordt. Het optreden van blindheid is gerelateerd aan zware overdosering.

 

Referenties: 

[1] El-Tawil S, Al Musa T, Valli H, Lunn MPT, El-Tawil T, Weber M, Quinine for muscle cramps (Review),  The Cochrane Library, 2010, Issue 12.

[2] Townend, Bradley Scott. Sturm, Jonathan William. Whyte, Scott., Quinine associated blindness., Australian Family Physician. 33(8):627-8, 2004 Aug.

[3] Anonymous, Malariabehandeling in geval van nood, Instituut voor Tropische Geneeskunde.

[4] Lies Leemans, Waarom komen spierkrampen hoofdzakelijk 's nachts voor?, Q-box190, juni 2011.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 4 september 2012


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Farmacologie van de antimalariamiddelen

Expert: 
lucls5261
Inhoud syndiceren