Skip to Content

Waarom zou er een verhoogd risico op peesruptuur zijn wanneer moxifloxacine samen met methylprednisolone wordt genomen? Wat is het mechanisme hierachter?

Over de oorzaken van de associatie van fluorochinolonen met peesrupturen tast men in het duister. Een korte behandeling met fluorochinolonen volstaat om peesontsteking te veroorzaken. Het kan dan nog een tijd duren alvorens een ruptuur ontstaat. Men vermoedt dat de pezen disproportioneel worden aangetast en ze vervolgens beschadigd blijven omwille van een slechts beperkte capaciteit om zich te herstellen. Die herstelcapaciteit wordt nog meer belemmerd in bezwarende omstandigheden, zoals bij een pre-existerende tendinopathie, na een trauma, hogere leeftijd en corticosteroidengebruik. Matrixwijzigingen in de pezen kunnen hierdoor irreversibel worden.

De klassieke risicofactoren voor een spontane peesruptuur zijn steroidtherapie, hypercholesterolemie, jicht, reumatoide artritis, gevorderde leeftijd, langdurig vootgezette dialyse en niertransplantatie. Vanaf 1983 kwamen ook de rapporten over de associatie van fluorochinolonen (FC) met peesrupturen. De incidentie daarvan wordt geschat op 15 tot 20 per 100000 patienten. Met FC geassocieerde tendinitis treft meestal de achillespees, maar ook aantasting van de dijspier (kwadriceps), korte kuitbeenspier (peroneus brevis), lange duimstrekker (extensor pollicis longus), de biceps en de pezen van de rotatorenmanchet (rotator cuff) werden gerapporteerd.

Over de oorzaken tast men in het duister. De diversiteit in de locatie van de aantasting, maar ook de lange tijd, die kan verlopen tussen de behandeling met FC en het optreden van een ruptuur, bemoeilijken het onderzoek naar causale verbanden. Een ruptuur doet zich in 85% van de gevallen binnen de maand voor, gemiddeld na 6 dagen, maar ook perioden van 6 maanden werden genoteerd. Anderzijds vertellen studies op ratten dat al na 1 dag behandeling met FC peesontsteking wordt waargenomen. De latere peesruptuur zou dan te wijten zijn aan een abnormale herstelreactie of een geleidelijke cysteuze degeneratie, zelfs na een korte kuur met FC. Een andere factor die het onderzoek van causale verbanden bemoeilijkt is het vaak optreden van  spontane of door trauma veroorzaakte rupturen, die ook zonder de behandeling met FC zouden zijn ontstaan.

De pathofysiologie van FC-geïnduceerde tendinopathie is niet bekend. Er bestaan wel conceptuele theorieën over. De anti-infectieuze werking van FC steunt op de inhibitie van bacterieel DNA-gyrase (topoisomerase II). FC grijpen bijgevolg rechtstreeks in op de DNA-replicatie en dus op de celdeling. Hoewel er weinig homologie bestaat met menselijk DNA-gyrase, zouden FC mogelijk toch cytotoxisch zijn door een beïnvloeding van enzymen in het musculoskeletaal weefsel. Via proefdierstudies werd  schade aan onvolgroeide, belastbare gewrichten aangetoond. Om die redenen zijn FC gecontraïndiceerd bij kinderen, tijdens zwangerschap en lactatie. Anderzijds weten we dat FC complexen kunnen vormen met metaalionen zoals Ca, Mg en Al, maar ook dat ze de type I collageen-synthese remmen en collageenafbraak stimuleren. Experimenten op jonge, nog niet volgroeide laboratoriumdieren (honden, konijnen en ratten) hebben aangetoond dat FC kraakbeenbeschadiging veroorzaken door inductie van chondrocytennecrose, verstoring van de extracellulaire matrix en vorming van blaasjes en botfissuren  ter hoogte van gewrichten.

In-vitro studies op gecultiveerde peescellen bevestigen de klinische observaties dat FC het risico voor peesruptuur verhogen. Andere factoren, zoals leeftijd ( x 2.7 bij >60jr), corticosteroidengebruik ( x 46), een pre-existerende tendinopathie of een trauma, zorgen ervoor dat de pees zich niet adekwaat kan herstellen, zodat de matrixwijzigingen irreversibel kunnen worden. Ook de histopathologische bevindingen, die erg gelijken op deze gevonden bij atleten met peesproblemen door overbelasting, ondersteunen de theorie dat FC de cellulaire functie wijzigen en een verandering in de cel/matrix-ratio teweegbrengen.

Referenties: 

[1] Casparian JM, Luchi M, Moffat RE, Hinthorn D, Quinolones and Tendon Ruptures, South Med J. 2000;93(5)

[2] Grace K. Kim, DO, The Risk of Fluoroquinolone-induced Tendinopathy and Tendon Rupture.What Does The Clinician Need To Know?, J Clin Aesthet Dermatol. Apr 2010; 3(4): 49–54.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 28 oktober 2014

Expert: 
lucls5261