Skip to Content

Volgens de psychiater had de dermatoloog geen Roaccutane mogen opstarten bij de dame die al geruime tijd Venlafaxine inneemt. Hij heeft de dosis Efexor om deze reden van 1x 150 verhoogd naar 1x 150 's morgens en 1x 75 's middags.

Het gebruik van isotretinoïne kan bij een kleine groep patiënten leiden tot een depressie of een depressie verergeren. Daarom is het verstandig terughoudend te zijn met de toepassing van isotretinoïne bij depressieve patiënten.

Wat is gekend over gebruik van isotretinoïne in geval van bij depressie ?

In de Bijsluiter van Roacutane® (1) , in de rubriek 4.8. Bijwerking, staat vermeld dat psychische stoornissen zelden (>1/10 000,<1/1000) tot zeer  zelden (<1/10 000) kunnen voorkomen. Echter in de bijsluiter,  in de rubriek 4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik staat dat depressie, verergering van depressie, angst, agressieve neigingen, stemmingswisselingen, psychotische symptomen en zeer zelden zelfmoordneiging, zelfmoordpogingen en zelfmoord zijn gemeld bij met isotretinoïne behandelde patiënten.

Commentaren Medicatiebewaking (2) waarschuwt voor het gebruik van isotretinoïne bij depressieve patiënten.   Over de mogelijke relatie tussen isotretinoïne en depressie, suïcide en andere psychiatrische bijwerkingen is reeds  veel gepubliceerd. Commentaren Medicatiebewaking verwijst naar een overzichtsartikel (3) waarin een groot aantal case-reports en studies tegen het licht gehouden worden. De auteurs concluderen dat er een kleine groep patiënten is waarbij gebruik van isotretinoïne kan leiden tot depressie of suïcidale gedachten. Dergelijke veranderingen treden doorgaans pas na een behandelingsduur van één of twee maanden op. Vermoedelijk is slechts een klein deel van de patiënten gevoelig voor dergelijke bijwerkingen.

Ook het centrum voor Geneesmiddelenbewaking meldt dat reeds meerdere jaren regelmatig gevallen van psychiatrische stoornissen (met inbegrip van depressie en zelfmoordneigingen) worden gerapporteerd bij patiënten behandeld met isotretinoïne (4). In de meeste epidemiologische studies die tot nu toe zijn uitgevoerd, kon geen causaal verband worden aangetoond tussen isotretinoïne en deze psychiatrische stoornissen, en dit vooral omwille van het feit dat ernstige acne op zich geassocieerd is aan een verhoogd risico van depressie en zelfmoordneigingen. Een retrospectieve cohortstudie (5)  toont daarentegen een statistisch significante verhoging van het risico van zelfmoordpoging gedurende de behandeling met isotretinoïne en tijdens de 6 maanden na het staken van de behandeling. Volgens de onderzoekers laten deze gegevens echter niet toe een causaal verband te bewijzen, vooral omdat in de drie jaren vóór de behandeling met isotretinoïne eveneens een lichte verhoging van het risico van zelfmoordpoging werd gezien, en omdat de studie geen gegevens verschaft over het effect van de behandeling: sommige gevallen van zelfmoordpoging zouden inderdaad kunnen te wijten zijn aan een gebrek aan doeltreffendheid van isotretinoïne. Deze resultaten laten dus geen definitief besluit toe. Toch sporen de resultaten wel aan om patiënten behandeld met isotretinoïne te volgen in verband met het optreden van tekenen van depressie, vooral wanneer er antecedenten van psychiatrische stoornissen zijn.

Besluit
Gezien de risico’s van de behandeling is het belangrijk voor elke patiënt de risico-batenverhouding te evalueren en terughoudend  te zijn met de toepassing van isotretinoïne bij depressieve patiënten.

Referenties: 

[1]  SKP  Roaccutane®, via www.bcfi.be, geraadpleegd op 25/10/2013

[2] Commentaren Medicatiebewaking 2013/14 (Stichting Healthbase, ISBN: 978 90 74027 35 9)

[3] Bremner JD, Shearer KD, McCaffery PJ. Retinoic acid and affective disorders: the evidence for an association. J Clin Psychiatry. 2012; 73: 37-50.

[4] Folia Pharmacotherapeutica 38, augustus 2011 via www.bcfi.be geraadpleegd op 29 /10/2013

[5] Sundström A, Alfredsson L, Sjölin-Forsberg G et al. Association of suicide attempts with acne and treatment with isotretinoin: retrospective Swedish cohort study. BMJ. 2010 Nov 11;341:c5812.

Auteur:
Apr. Inge Van Tongelen
Dr. Apr. Els Mehuys
Prof. Dr. Apr. Koen Boussery
Eenheid voor Farmaceutische Zorg
Faculteit Farmaceutische Wetenschappen
Universiteit Gent

Datum laatste actualisatie: 29 oktober 2013

Expert: 
koeby2662