Skip to Content

Is er evidentie (of een plaats ?) voor het gebruik van zoethout (Glycyrrhiza glabra) in de behandeling van de ziekte van Addison ?

Er is geen klinische evidentie voor het enkelvoudig gebruik van zoethout bij de ziekte van Addison. Wel kan het simultaan gebruik met orale glucocorticoïden er mogelijk toe leiden dat meer normale diurnale fluctuaties met deze laatste worden bekomen. Een gekende bijwerking van zoethoutpreparaten is het optreden van “pseudoaldosteronisme”.

De mogelijke toepassing van zoethout i.v.m. de “ziekte van Addison” is terug te brengen tot de aanwezigheid van glycyrrhizinezuur in deze plantaardige grondstof. De gekende remmende werking van deze verbinding op de HDS-11β type 2-activiteit (11β-hydroxysteroid dehydrogenase type 2) vormt hierbij de basis. Aangezien dit enzym verantwoordelijk is voor de oxidatie van cortisol tot cortison kan een verminderde activiteit hiervan leiden tot verhoogde cortisolwaarden.
Gezien echter het beperkte vermogen van deze patiënten tot eigen cortisolsynthese zou men van het gebruik van zoethout weinig direct effect verwachten. 
 
Zoals reeds door de vraagsteller vermeld vonden ook wij geen klinische studies, die deze toepassing ondersteunen. Wel zijn er een aantal, vnl. oudere, “case reports” die deze toepassing toch zouden bevestigen [1,2,3,4]. Mogelijk speelt de ernst van de aandoening hierbij een rol.

Meer recent is er wel een beperkte (n = 17), open placebo gecontroleerde studie verschenen waarbij het additioneel gebruik van zoethout werd onderzocht i.v.m. deze aandoening. Het uitgangspunt hierbij was dat het zeer moeilijk is om via orale toediening van glucocorticoïden de normale dagelijkse diurnale cyclus na te bootsen. Daarom werd het effect nagegaan van het gelijktijdig toedienen van een zoethoutproduct en dit gedurende 3 dagen met een dagdosis van 150 mg glycyrrhizinezuur bij patiënten behandeld met cortisonacetaat [5].

Hierbij werd een significante toename van het serum (5,7 %) en speeksel cortisolgehalte waargenomen, geassocieerd met een daling (11 %) in cortison. Ct=160 voor cortisol steeg met 20 %.  Dit ging gepaard met een gestegen urinaire cortisolexcretie en gestegen cortisol/cortisone verhouding in de urine. Deze waarnemingen kunnen in direct verband worden gebracht met een door glycyrrizinezuur veroorzaakte remming van het renaal HDS-11β type 2. Hierdoor grijpt er een verminderde omzetting plaats van het oraal toegediende cortisol tot cortison.
Een interessante waarneming was ook dat er geen wijziging in Cmax en Tmax werd waargenomen in vergelijking met de placebogroep. Aangezien de omzetting van cortisoneacetaat tot cortison afhankelijk is van het in de lever aanwezige HDS-11β type 1, wijst dit erop dat deze enzymactiviteit niet werd geremd door het zoethoutpreparaat wanneer toegediend bij deze concentratie.

Ter informatie, in hogergenoemde studie werd eveneens het gelijktijdig gebruik van een gestandaardiseerde pompelmoessap bereiding onderzocht. Hiermee werd zelfs een sterkere toename in serum cortisolgehalte waargenomen dan bij de zoethoutbereiding (AUC stijging van 19 % en Ct=160 stijging van 81 %). Dit werd vnl. verklaard door een invloed op de cortisonacetaat-absorptie.
In conclusie kan men dus stellen dat er geen klinische evidentie is voor het enkelvoudig gebruik van zoethout bij de ziekte van Addison. Wel kan het simultaan gebruik met orale glucocorticoïden er mogelijk toe leiden dat meer normale diurnale fluctuaties met deze laatste worden bekomen.

Een gekende bijwerking van zoethoutpreparaten is het optreden van “pseudoaldosteronisme”. Dit ten gevolge van hun effect t.h.v. de mineralcorticoïd receptoren. Theoretisch kan dit zeker spelen bij deze patiëntengroep aangezien zij mogelijk minder gevoelig zijn aan terugkoppelingsmechanismen. Een verhoogde bloeddruk werd echter niet waargenomen in hoger genoemde studie. Er dient hierbij wel te worden vermeld dat de behandelingsduur van 3 dagen mogelijk te kort was om een duidelijk effect te veroorzaken.

Referenties: 

[1] Groen J. et al.. 1951. New Eng. J. Med. 244: 471-475.

[2] Calvert RJ. 1954. Lancet 266: 805-807.

[3] Cotterill JA and Cunliffe WJ. 1973. Lancet 1 294-295.

[4] Cooper H. et al..  2007. Ann. Clin. Biochem. 44: 397-399.

[5] P. Methlie et al.. 2011. Eur. J. Endocrin. 165: 761-769

Auteur:
 

Prof. Dr. K. Demeyer
VUB - FAFY
Laarbeeklaan 103,
B-1090 Jette.

 

Datum laatste actualisatie: 24 november 2012

Expert: 
expert