Skip to Content

Bestaat er enige evidentie voor het gebruik van chroom om "de drang naar suikers" te onderdrukken ?

Het effect van chroom is het meest uitvoerig bestudeerd voor wat de invloed op de suikerspiegel van diabetici betreft. Het gebruik als hulpmiddel om de drang naar suiker te verminderen is tot op heden minder onderbouwd. Enkele studies wijzen weliswaar in die richting, maar de auteurs besluiten telkens dat bijkomend grootschaliger onderzoek gewenst is.

Er is behoorlijk wat onderzoek gedaan naar de rol van Chroom op bepaalde gezondheidsaspecten, vooral omdat men ervan uitgaat dat de dagelijkse inname van chroom vaak tekort schiet in geval van een ongevarieerd voedingspatroon. Om goed te zijn zouden we dagelijks 50 µg driewaardig chroom moeten innemen. Ideale voedingsmiddelen hiervoor zijn: zeevruchten, oesters, vlees, lever, kaas, volle granen, fruit, groene bonen, spinazie en broccoli. Ook biergist is rijk aan chroom.

We zetten de voornaamste literatuurbevindingen rond chroom even op een rijtje:

  • In de meerderheid van de onderzoeken lijkt chroom picolinaat de meest gebruikelijke vorm te zijn. Dit zout heeft een grotere stabiliteit dan sommige andere zouten en zou de geringe absorptie van chroom ten goede komen. Soms wordt ook niacine- of nicotinaatgebonden chroom als alternatief aangewend.
  • Enkele studies konden worden teruggevonden waarbij werkelijk de invloed van chroompicolinaat op de drang naar suiker bestudeerd werd:
    • Anton et al. voerde een tweeledige studie uit.  Een eerste (kleinschalige) studie betrof 40 zwaarlijvige vrouwen die gedurende 8 weken dagelijks 1000 µg chroom of placebo kregen. De dames uit de chroomgroep aten significant minder, hadden significant minder honger en minder drang naar suikers. Er was een tendens tot meer gewichtsreductie in deze groep, maar het verschil met placebo was niet significant.

    De tweede studie betrof een groep ratten. Deze aten beduidend minder na intracerebroventriculaire inspuiting van chroompicolinaat. Na intraperitoneale toediening was er geen effect op de voedselinname. De onderzoekers besluiten hieruit dat het effect van chroom op het hongergevoel en de suikerdrang mogelijk centraal gemedieerd wordt.

    • Docherty en collega’s voerden een dubbelblinde, placebo-gecontroleerde studie uit met chroompicolinaat bij 75 patiënten met een atypische depressie. Ook hier werd de invloed op de suikerdrang nagegaan en concludeerde men dat er een positief effect was van chroom. De onderzoekers suggereren dat een dosis van 600 µg elementair chroom de drang naar suikers bij deze patiënten kan reduceren.
  • De studies naar het effect van chroom bij insulineresistentie (diabetes type 2) zijn veelvuldiger in aantal. In vitro studies en dieronderzoeken onderstrepen de werking  van chroom. Humane studies komen niet altijd tot een gelijkaardig besluit, waardoor FDA het gebruik van chroom in de diabetestherapie tot op heden niet onderstreept. Volgens critici onterecht. Meerdere onderzoeken tonen immers een positief effect van chroom op de insulinegevoeligheid. Ook uit deze studies blijkt dat de picolinaatvorm het meest geschikte zout is en dit aan een dosis van minimaal 200 µg per dag (alhoewel meerdere studies tot 1000 µg per dag gaan).De grote variabiliteit in resultaten is volgens aanhangers te wijten aan het gebruik van te lage doseringen enerzijds en het niet juist rekruteren van de patiëntenpopulatie. Chroom zou namelijk geen effect heeft op de suikerspiegels wanneer het gebruikt wordt door  gezonde vrijwilligers. Enkel in geval van insulineresistentie werd (soms) een effect gezien. Dit kan worden toegeschreven aan het feit dat mensen met diabetes doorgaans een chroomtekort hebben.
  • Het mechanisme van chroom ter verbetering van insulineresistentie is nog niet helemaal uitgeklaard. Men vermoedt dat chroom een effect heeft ter hoogte van de insulinereceptoren, waardoor insuline als het ware meer actief zou worden en daardoor het glucosetransport zou verbeteren. Ook bepaalde recente genstudies wijzen in die richting (men toonde aan dat chroom zou zorgen voor een upregulatie van bepaalde genen die coderen voor enkele specifieke enzymes betrokken bij de glycolyse homeostase).
  • Sommige reviews wijzen ook op een mogelijk effect van chroom in de reductie van cholesterol (en vooral triglyceriden), alsook in de preventie van cardiovasculaire aandoeningen. De evidentie en het aantal onderzoeken is hier echter minder groot dan voor het gebruik bij diabetes.
Referenties: 

[1] Anton S. et al. Effects of chromium picolinaat on food intake and satiety. Diabetes Technology & Therapeutics 2008; 10 (5): 405-412.

[2] Bartlett H.E. & Eperjesi F. Nutritional supplementation for type 2 diabetes: a systematic review. Ophthal Physiol Opt 2008; 28: 503-523.

[3] Docherty JP et al. A double-blind, placebo-controlled, exploratory trial of chromium picolinaat in atypical depression: effect on carbohydrate craving. J. Psychiatr Pract 2005; 11 (5): 302-314.

[4] Hua Y. et al. Molecular mechanisms of chromium in alleviating insulin resistance. J. Nutr. Biochem 2012; 23 (4): 313-319.

[5] Hummel M., Standl E. & Schnell O. Chromium in metabolic and cardiovascular disease. Horm Metab Res 2007; 39: 743-751

[6] Lau F.C. et al. Nutrigenomic basis of beneficial effects of chromium (III) on obesity and diabetes. Mol Cell Biochem 2008; 317: 1-10.

[7] Wang ZQ & Cefalu WT Current concepts about chromium supplementation in type 2 diabetes and insulin resistance. Curr. Diab Rep 2010; 10 (2): 145-151.

[8] Wiernsperger N. & Rapin J. Trace elements in glucometabolic disorders: an update. Diabetology & Metabolic Syndrome 2010; 2: 70

 

Auteur:
 

Lies Leemans

Datum laatste actualisatie: 10 juli 2012

Expert: 
liels4316