Skip to Content

Is het zinvol voor studenten of voor mensen met cognitieve problemen om supplementen op basis van acetyl-l-carnitine in te nemen?

Wij zien vandaag weinig redenen om aan te nemen dat supplementen met acetylcarnitine in deze context enig nut zouden hebben, abstractie makend van het alom tegenwoordige placebo-effect. De vermeende voordelen zijn speculatief, wat niet belet dat ze een individuele patiƫnt van dienst zouden kunnen zijn.

Bekende rol van carnitine

L-carnitine is een endogene  kwaternaire ammoniumverbinding, uit lysine en methionine aangemaakt in lever en nieren . De grootste hoeveelheden zijn terug te vinden in de metabool meest actieve organen: skeletspieren, hart, hersenen en ook in sperma. Vlees is de meest belangrijke externe bron van carnitine.

 

De hoofdrol van carnitine is die van vetzuurvehikel. Vetzuren,  door lipolyse vrijgemaakt uit vetvoorraden,  circuleren steeds in het celcytoplasma. De afbraak van die vrije vetzuren, beter bekend als de bèta-oxidatie, grijpt echter plaats binnen de mitochondrieën. L-Carnitine bindt vrije vetzuren uit het cytoplasma, waardoor de acylcarnitines ontstaan, die vervolgens  via een actief transportmechanisme doorheen de mitochondriale membraan worden geloodst. De acylcarnitines geven aan de binnenzijde het gebonden vetzuur weer vrij, waarbij vrij carnitine wordt gerecupereerd. Tijdens de bèta-oxidatie worden vetzuren met lange en middellange ketens telkens met 2 koolstofatomen ingekort, telkens met afsplitsing van een azijnzuurmolecule. Een C-18 vetzuur is bijgevolg goed voor 9 azijnzuurmoleculen, die via de Krebscyclus, heel wat beschikbare energie opleveren onder vorm van ATP. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het meeste carnitine nodig is op plaatsen waar de metabole activiteit het grootst is.

Er bestaan primaire en secundaire vormen van carnitinedeficiëntie. Carnitinedeficiëntie kan aangeboren zijn of verworven tijdens het leven. Secundaire carnitinedeficientie is meestal geassocieerd met chronisch nierfalen, maar kan ook geïnduceerd worden door darmresectie, ernstige infectie of leverziekte.  Prematuren vertonen ook nog al eens tijdelijke carnitinedeficiënties door een verstoorde carntinesynthese en een onvolkomen tubulaire resorptie.

Bij een systemisch tekort aan carnitine is het vetzuurtransportmechanisme ontoereikend.  Alle door lipolyse vrijgemaakte vetzuren geraken bijgevolg door bèta-oxidatie niet  afgebroken. Het lichaam zoekt dan de alternatieve route van de omega-oxidatie om vetzuren te oxideren. Die levert evenwel geen ketenverkorting noch energie op, maar leidt tot de productie van dicarbonzuren met diverse ketenlengtes. In de urine verschijnt het typisch patroon van dicarbonzuuracidurie.  Klinisch is er een grote diversiteit aan verschijnselen zoals spierslapte en onvoldoende spiermassa, cardiomegalie, cardiomyopathie, leverdysfunctie. Personen met een erfelijke afwijking zijn voor hun leven gebonden aan  supplementen van carnitine maar kunnen daarmee een symptoomvrij normaal leven leiden.

Andere functies

Recente bevindingen wijzen op gunstige effecten van acylcarnitine- en carnitinesupplementen bij de behandeling van diverse neurologische aandoeningen. Vet is nochtans niet de hoofdbrandstof in de hersenen. Men vermoedt dat acylcarnitines in de hersenen een multifactoriële neuroprotectieve rol spelen, die niets te maken heeft met hun rol van vetzuurvehikel. Verschillende hypotheses doen de ronde en voor elk ervan zijn er studies te vinden, in vitro of op diermodellen, die deze of gene hypothese ondersteunen. Acylcarnitines zouden een invloed kunnen hebben in de synthese van lipiden, de membraansamenstelling wijzigen en stabilizeren, een modulerende rol spelen op genen en proteinen, de mitochondriale functie verbeteren, de antioxidantstatus verhogen en de cholinerge neurotransmissie stimuleren.

Omdat het beeld nog zo onvolledig is, is het voorbarig voorspellingen over het therapeutisch nut als vaststaand te beschouwen.  Deze zijn allerminst bewezen. Oudere studies suggereerden al een vertragend effect van acetylcarnitine op de achteruitgang van de cognitieve functies bij dementie. Dit wordt ondermeer in verband gebracht met de vermeende invloed op de cholinerge transmissie. Die resultaten worden door latere studies echter niet bevestigd. Een Cochrane review uit 2008 concludeert dat er voorlopig onvoldoende argumenten pleiten voor een toepassingen bij dementie [3].

Een andere toepassing die verband houdt met cognitieve functies is ADHD. Eén  gerandomizeerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde, cross-over studie betreft de behandeling van 24 Nederlandse jongeren die ADHD-gedrag vertoonden, zoals bleek uit de resultaten van de Child Behavior Checklist (vragenlijst voor ouders) en de Conners teacher-rating score (vragenlijst voor onderwijzers).  Bij 13/24 jongens die carnitine kregen, verbeterde het gedrag thuis en op school. De aandacht verbeterde en het aggressief gedrag nam af [5]. 

ADHD is een frequent gedragsprobleem bij jonge jongens met het fragiel X syndroom. Dit is een erfelijke aandoening, die gepaard gaat met een verstandelijke handicap, op autisme gelijkend gedrag en dikwijls bepaalde uiterlijke kenmerken. Het is de meest voorkomende genetische oorzaak van mentale retardatie, op het syndroom van Down na. Eén gerandomizeerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde, parallele, multicenter studie  (8 centra) betrof 63 FXS jongens tussen 6 - 13 jaar met ADHD, waarvan er na 1 jaar behandeling 51 in de statistische analyse werden opgenomen. De placebogroep kreeg enkel psychosociale therapie, de andere groep kreeg  psychosociale therapie en L-acetylcarnitine. Beide groepen verbeterden hun gedrag maar een sterkere reductie van de hyperactiviteit en grotere verbetering van het sociaal gedrag werden gemeten in patiënten, behandeld werden met L-acetylcarnitine [6].

Let wel het betreft hier geïsoleerde studies, geen meta-analysen noch reviews.

Conclusie

De geciteerde studies bieden geen rechtstreeks antwoord op de vraag, maar verklaren wellicht wel waarom het gebruik van acetylcarnitine als voedingssupplement hier en daar aangemoedigd wordt. De eventuele indicaties "studenten en mensen met cognitieve problemen" zijn door deductie afgeleid uit stellingen die nog onvoldoende zijn onderbouwd. Studies daaromtrent zijn niet te vinden. De vermeende voordelen zijn dus speculatief, wat niet belet dat ze een individuele patiënt van dienst zouden kunnen zijn.

Referenties: 

[1] Mi Yang, Muke Zhou, Jing Xiao, Ning Chen, Jian Guo, Li He, Ruxin Xing, L-carnitine for cognition in healthy subjects, The Cochrane Library 2011

[2] Jones LL, McDonald DA, Borum PR., Acylcarnitines: role in brain, Prog Lipid Res. 2010 Jan;49(1):61-75. doi: 10.1016/j.plipres.2009.08.004. Epub 2009 Aug 29.

[3] Sheila A Hudson, Naji Tabet, Acetyl-l-carnitine for dementia, The Cochrane Library 2008, 4.

[4] www.farmamozaiek.be, carnitine

[5] Reuter SE, Evans AM., Carnitine and acylcarnitines: pharmacokinetic, pharmacological and clinical aspects, Clin Pharmacokinet. 2012 Sep 1;51(9):553-72.

[6] Van Oudheusden LJ, Scholte HR. , Efficacy of carnitine in the treatment of children with attention-deficit hyperactivity disorder, Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 2002 Jul;67(1):33-8.

[7] Torrioli MG, Vernacotola S, Peruzzi L, Tabolacci E, Mila M, Militerni R, Musumeci S, Ramos FJ, Frontera M, Sorge G, Marzullo E, Romeo G, Vallee L, Veneselli E, Cocchi E, Garbarino E, Moscato U, Chiurazzi P, D'Iddio S, Calvani M, Neri G., A double-blind, parallel, multicenter comparison of L-acetylcarnitine with placebo on the attention deficit hyperactivity disorder in fragile X syndrome boys., Am J Med Genet A. 2008 Apr 1;146(7):803-12. doi: 10.1002/ajmg.a.32268.

[8] Sarris J, Kean J, Schweitzer I, Lake J., Complementary medicines (herbal and nutritional products) in the treatment of Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD): a systematic review of the evidence, Complement Ther Med. 2011 Aug;19(4):216-27.

Auteur:
Luc Leyssens

Datum laatste actualisatie: 8 januari 2013


Uw basiskennis opfrissen met Farmamozaïek?

Zie volgend(e) onderwerp(en): Carnitine

Expert: 
lucls5261